Douwe Zuidema

Douwe Zuidema en zijn muziekbibliotheek: Ik ben het oliemannetje van de bladmuziek

De afspraak is een beetje onder voorbehoud: alleen als er geen plotselinge rampen zijn en alles rustig blijft kan het interview doorgaan. Ruim twee uur vertelt Douwe enthousiast over zijn werk en alles wat daarbij komt kijken:

Douwe Zuidema (bibliothecaris)‘Al 27 jaar balanceer en manoeuvreer ik tussen orkest, (gast)dirigent, artistiek directeur, uitgevers, mediapartners en regisseurs. Ik probeer iedereen tevreden en te vriend te houden en moet op al deze niveaus mee kunnen praten, kennis van de partituur hebben en vooruit denken.
Meestal zijn Marianne en ik al een jaar van te voren in contact met Mariss over de komende uitvoeringen. We maken dan een vragenlijst voor hem zodat we onder andere precies weten waar hij het desbetreffende stuk al eerder heeft gedirigeerd, welke druk hij gebruikt, met welke partijen hij komt. Ook doen we zelf wat onderzoek: heeft hij wel eens van deze uitgave/druk gehoord? Is het misschien een alternatief?
Normaal gesproken heb ik twee à drie maanden van te voren al het materiaal in orde, maar soms zijn er helaas rampweken waardoor het allemaal anders loopt. Zoals nu met Mahler III, en de week daarvoor met Adams/Zuidam/Lindberg. Wegens omstandigheden buiten onze macht konden Marianne en ik de gloednieuwe partijen van Mahler III niet eerder dan in de kerstvakantie beginnen te betekenen. Dat was echt keihard doorwerken om het op tijd af te krijgen en daardoor is de week van Adams erbij ingeschoten. Op zo’n moment moet ik kiezen, en dan gaat Mariss toch echt voor. Een ander voorbeeld van een echte stressweek was voor de kerst, in de week met Martinu. Alles was verkeerd, elke partij moest worden schoongemaakt, vergroot/verkleind (per vel), er moesten omslagpunten bedacht en stichnoten gemaakt worden. Dan werken Marianne en ik echt overuren, maar er zijn ook weken dat alles rustig is.’

Sommige uitgevers zijn crimineel

‘Het is een vreemde wereld geworden, de wereld van de uitgevers en het copyright. Vroeger was een uitgever een erudiete intellectueel met een netwerk in de artiestenwereld. Nu is het allemaal veel commerciëler, het vakmanschap is verdwenen. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat Michael Jackson de rechten van de liedjes van The Beatles bezat. Dat begrijpt toch niemand meer? De meeste uitgevers van nu zijn niet geïnteresseerd in het maken van echte goede partijen, het gaat ze alleen om winst maken. Als er een nieuwe druk komt (omdat een of andere overspannen musicoloog acht verkeerde noten in Mahler III heeft ontdekt - ga jij ze zoeken? –, kopiëren ze het gewoon van de vorige uitgave, verkleinen ze het notenbeeld en drukken ze het op te klein papier (A4) met een te witte kleur waardoor het slecht leesbaar is. Ook al krijgen uitgevers via de MOLA (Major Orchestra Librarians Association; dus van alle orkestbibliothecarissen ter wereld) feedback over hoe ze de partijen kunnen verbeteren en waar de fouten zitten; ze doen er niks mee. Ze laten alles zitten en geven het gewoon weer uit. Dat vind ik bijna misdadig!’

Het ergste

‘Het ergst vind ik het, als ik weet dat het materiaal niet in orde is en ik heb het niet kunnen voorkomen. Of andersom: ik vind het heerlijk als iedereen tevreden is en we van mooi materiaal spelen dat helemaal in orde is! Mooie partijen zijn gedrukt op B4, op ivoorkleurig papier, mooi gebonden, met juiste stichnoten. Bij mooie partijen is er over aan aantal dingen goed nagedacht; tien maten rust zien er breder uit dan vijf maten rust, er zijn goede omslagpunten en het is niet te klein gedrukt. Een mooi voorbeeld is de Vijfde symfonie van Carl Nielsen in de editie van Hansen; een genot voor het oog! Ik vind Bärenreiter, Haydn/Mozart Presse, Henle en Novello ook goede uitgevers.
Gastdirigenten willen vaker dan vroeger met hun eigen partijen komen. Ik vind dat prima, maar dan moeten ze wel goede partijen sturen, en dat doen ze niet altijd. Als het onbegonnen  werk is dan weiger ik, dan vind ik dat we van onze eigen partijen moeten spelen en moet ik het orkest beschermen. Wat ook wel eens voorkomt, is dat afspraken niet worden nagekomen: zodra ze hier zijn moet alles ineens toch weer anders. Dat moeten we dan ter plekke opvangen en veranderen.’

Als het goed is, merkt niemand dat ik er ben

‘Ik ben er voor het orkest en het gaat niet om mij! De bladmuziek is het belangrijkst; dat is het eindproduct waarvoor ik in dienst ben. Het prettigst is het als ik de tijd en de middelen heb om alles op rolletjes te laten lopen. Dat niemand uit het orkest hoeft langs te komen om te klagen.
Ik begrijp dat het soms nadelen heeft om van de partijen van Mariss te spelen, maar ik denk niet dat het gaat veranderen. Hij doet het al veertig jaar op zijn manier en bij dit soort dingen is er wel een tsaar-achtige kant aan hem. Maar ik vind dat zijn enorme kwaliteiten daar absoluut tegen opwegen. Met de partijen van Mahler II is het goed gegaan; een mooie nieuwe editie waarin Marianne en ik al zijn aantekeningen hebben ingeschreven. Een hels karwei, maar wel prettig om van te spelen, zonder gekopieerde vingerzettingen etcetera. Onze collegae van de Bayerische Rundfunk krijgen alleen nu hetzelfde probleem, zij gaan binnenkort onze partijen kopiëren en daarvan spelen. Zij zullen dan wel weer balen!’

Vroeger, Nu en de Toekomst

‘Vroeger waren de musici beter in het spelen van verschillende genres, zoals bijvoorbeeld jazz. Ik denk dat het technische niveau lager was, maar dat men handiger was in het verbloemen van wat men niet kon spelen. Nu ligt het niveau hoger, in korte tijd wordt er steeds meer muziek doorheen gejaagd en dat moet je als musicus wel kunnen bijbenen.
De geschiedenis van de bibliotheek begint in 1888, het jaar waarin het KCO werd opgericht. In de bibliotheek zijn we de laatste jaren gaan digitaliseren, grotendeels gedaan door Marlies van den Hoek. Vroeger hadden we hier alleen een potlood, gum en een schaar. Nu staat alles in de computer, compleet met opmerkingen over de laatste keer dat het werd uitgevoerd. Er staat bijvoorbeeld als commentaar bij Beethoven V: “Let op! de laatste keer speelden we dit met twee lessenaars minder, dus niet alles is betekend”.’

Aan het einde van het interview lopen we de kamer verder in en laat Douwe me rijen met enorme kasten vol bladmuziek zien, die naar elkaar toe of van elkaar weg gerold kunnen worden. Er is een gedeelte met oude nummering en een gedeelte met nieuwe. Ik vind het een wonder dat Douwe hier alles kan vinden, maar terecht zegt hij: ‘Het enige dat telt, is dat ik weet waar alles ligt. Wat voor systeem ik daarvoor heb is niet belangrijk.’
Hij vervolgt: ‘Ik verwacht veel van de digitale ontwikkelingen, dat je heel makkelijk met al die nieuwe middelen zeg een Mahler III kan opleuken. Of misschien kunnen we de studiepartijen wel via e-mail gaan versturen. Ik heb ooit eens een digitale lessenaar gezien waarbij je moest omslaan met je voet. Maar dat staat nog in de kinderschoenen en is nog lang niet klaar voor de praktijk. Het lijkt me bijvoorbeeld heel onhandig als je geen potlood meer hebt. Je wilt toch het verschil blijven zien tussen wat gedrukt is en de bijgeschreven opmerkingen.
Ik denk dat het heel belangrijk is dat je als bibliothecaris weet waarover het gaat op het podium. Van huis uit ben ik slagwerker, was een leerling van Jan Pustjens en heb nog bij het KCO geremplaceerd. Ik zeg wel eens: “Ik ben waarschijnlijk de beste orkestbibliothecaris onder de slagwerkers en de beste slagwerker onder de orkestbibliothecarissen!”

Maaike Aarts

Kcourant - april 2010

Auteur
Truus de Leur
Details
Douwe Zuidema