Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Varia en velerlei

Rien de Reede en DaniŽl Esser over de Vriendenconcerten

Rien de ReedeRien de Reede: ‘In het grijze verleden was er een bescheiden kamermuziekserie door leden van het Concertgebouworkest voor de Vrienden. Dat waren min of meer vaste ensembles, die hoofdzakelijk uit strijkkwartetten en pianotrio’s en dergelijke bestonden. Die ensembles moesten in de Kleine Zaal concurreren met ensembles van wereldnaam als het Amadeus Kwartet en het Beaux Arts Trio, die een avond eerder of later optraden.met hetzelfde repertoire. Dat was scheve concurrentie. Toen waren er 7000 Vrienden, nu 10.000. Er van uitgaande dat dat muzikale fijnproevers zijn, moet je met de programmering proberen iets bijzonders te doen en een uitvoeringsniveau zien te bereiken dat acceptabel is voor mensen die regelmatig muziek op hoog niveau horen uitvoeren. Op een gegeven moment hebben Jan Kouwenhoven en ik gesproken met de Vrienden over een programmering die geen doublure was van het meest gangbare kamermuziekrepertoire: bijzondere bezettingen, zo goed mogelijk voorbereid, met een eigen gezicht voor de Vrienden. De activiteitencommissie, die in die tijd werd gevormd door Yvonne Kastein, Liesbeth Witteman, Ben de Mare en niet te vergeten Eddy Alderse Baes – waren heel enthousiast. Door de muziekliefhebbers van het Vriendenbestuur is de kamermuziekserie deze kant op gestuurd. We hebben van hen veel medewerking gekregen.’

 Daniël Esser: ‘Ik herinner me nog heel goed het eerste concert: een soort bonbondoos… een geel papiertje, een roze papiertje. Danzi programmeerden we naast Fuchs, het Hobokwintet van Bliss en een blaastrio van Poulenc. Dat was ons eerste concert. Sjoerd van den Berg en Jan Kouwenhoven haaden ons gevraagd op eens een programma voor de Vrienden te maken. Daar kwam meteen dat programma uit rollen. Krankzinnig, maar het sloeg zo aan dat we meteen voor het volgende seizoen werden gevraagd: toen gin het om vier programma’s. Het belangrijkste voor het samenstellen van het repertoire is nieuwsgierigheid. Willen weten hoe iets klinkt. Iedere muzikant heeft een kast waarin tachtig procent maar ligt te liggen en nooit tot klinken komt: Hoffmeister, Mozart-concerten en Strauss.’

‘Kwintetten van Hoffmeister voor hoorn en strijkkwartet,’ oppert hoornist Peter Steinmann.

Daniël EsserDE: ‘Dat is al een idee. Zo ligt er overal muziek die nooit gehoord wordt, heel goede en minder goede uiteraard, maar je moet er van uitgaan dat het vol wonderen ligt die nooit klinken. Ik ben zelf altijd bezig geweest met dat repertoire. Heerlijk, die sonates doorlezen, ontdekken en studeren… dat geeft mij grote voldoening. Dat geldt ook voor ensemblemuziek. Vroeger joegen we er dikke banden pianotrio’s doorheen. Dat is die gekte van mij, het willen leren kennen van onbekende muziek waarvan je ook al en beetje kan weten: “Nou, het is een beetje op het randje, maar het móet toch een keer klinken.” Het fantastische van de Vriendenconcerten is dat het Vriendenpubliek komt luisteren en het fijn vindt om wat nieuws te horen.’

RR: ‘We hebben programma’s gemaakt met heel bijzondere stukken, maar we moeten natuurlijk rekening houden met die ruim vierhonderd plaatsen in de Kleine Zaal, die we vol moeten zien te krijgen. Het was destijds een wens van het Vriendenbestuur, dat in ieder programma één groter en bekender kamermuziekstuk moest zitten. Dan hebben wij natuurlijk ons verlangen om bijzonder repertoire te laten horen om aan de nieuwsgierigheid die ook bij dat uitgelezen Vriendenpubliek aanwezig is, wat te doen. Daarnaast krijg je wensen van individuele orkestleden, die zeggen: “Kunnen we dit of dat niet eens spelen?” PS: ‘Hauff, hartstikke mooi, een kwintet voor hoorn en strijkkwartet. Spreken orkestleden jullie er over aan?’

RR: ‘Er zijn er steeds meer, die al een jaar niet hebben meegespeeld en dolgraag weer eens willen meedoen. Trix Endhoven-Brouwer, die alle muzikale ideeën werkelijkheid maakt, houdt zorgvuldig een lijst bij, wie hoeveel keer gespeeld heeft.’

DE: ‘We proberen ieder jaar die lijst uit te breiden, want zoveel mogelijk collega’s moeten spelen.’

RR: ‘In de loop van de tijd hebben we bepaalde kwaliteitsnormen ontwikkeld en tegenwoordig wordt bij de Vriendenconcerten de pers uitgenodigd. Mijn ideaal zou zijn, een soort kamermuziekvereniging, een kamermuziekserie van het Orkest, qua programmering en qua uitvoeringsniveau van hetzelfde niveau als de grote orkestseries, zodat ze elkaar versterken. Als je in de seizoenfolders van de orkesten van Chicago en Berlijn kijkt, dan zie je dat daar kamermuziek concerten door de orkestleden, door het orkest georganiseerd, in de programmering vna het orkest zijn opgenomen. Het grote enthousiasme van de Vrienden is essentieel voor het voortbestaan van die serie. We moeten daar ontzettend zuinig op zijn. De Vrienden trekken behoorlijk wat geld uit voor die kamermuziekserie en de uitvoeringen moeten kwalitatieve relevantie hebben,’

DE: ‘Voor die concerten in Chicago en Berlijn worden vaak de eerstelessenaarspelers ingezet, een handjevol sterren uit het orkest. Bij ons is het zo geweldig dat iedereen kan spelen.’

Goedenmorgen, collega.

PS: ‘Wat is de waarde voor de orkestleden?’

DE: ‘Behalve ineens kamermuziek te spelen met een collega van wie je misschien weinig weet, ook niet hoe hij speelt, is dat, het samen met een stuk bezig zijn, het opbouwen. Aan de andere kant is het wel zwaar. Soms voel ik me wel eens schuldig: “Waar ben ik mee bezig, die collega’s die al zo’n zware baan hebben in het orkest, vaak met een gezin, ook nog eens opzadelen met die lastige stukken, waarvoor vier repetities eigenlijk te weinig zijn.” Maar ze doen het wel, en soms moeten ze zich haast forceren om het met die paar repetities op zondagmiddag of dinsdagavond goed over het voetlicht te krijgen. Dat is moeilijk, maar ze leren elkaar beter kennen als speler en als mens. Er ontstaat een soort verbondenheid die je in heel veel orkesten niet hebt. Daar is het “goeden morgen, collega”, je speelt en je gaat weer naar huis. Uit de Vriendenconcerten zijn ook ensembles voortgekomen: mensen die blijven samenspelen omdat ze het fijn vinden. Dat is toch iets grandioos.’

RR: ‘Het leuke is, het is geen schnabbelfeest, het gaat erom samen muziek te maken. De kamermuziek programma’s van de ensembles uit Wenen of Berlijn zijn geconcentreerd rond Beethoven en Mozart en dan meestal met een uitvoeringspraktijk van het jaar nul. Dat is nu juist wat we njiet nastreven en het mooie zou zijn, als we dat op een gegeven moment – en ik hoop dat die dag nog een keer aanbreekt – in een goed organisatiekader zouden kunnen samenbrengen. In het verlengde van de Vriendenconcerten werd al het Viotta Ensemble opgericht, dat een aantal van de Vriendenproducties elders in het land probeert te herhalen. Dan blijkt helaas dart de concerten over het algemeen zo duur zijn dat het heel moeilijk is om daar een afzetgebied voor te vinden. Maar als uitvloeisel van de Vriendenconcerten hebben we inmiddels met dat ensemble wel een hele serie cd’s gemaakt van muziek van Françaix, van Nederlandse romantische muziek, de Van Gilse-cd, de cd met Bal masqué van Poulenc, Koechlin en Roussel en dergelijken, die ook in de Franse tijdschriften heel erg enthousiast besproken. Nu zijn we bezig met twee cd’s van Enesco en Escher.

TL: ‘Loop je met die plannen om kamermuziek te integreren in het orkest niet het gevaar dat je een tweedeling krijgt in het orkest: een groep kamermuziekspelers en een groep die dat aan zich voorbij laat gaan?’

RR: ‘Nee, er zijn orkestleden die ervoor kiezen om bijvoorbeeld naast het Concertgebouworkest in het Concertgebouw Kamerorkest te spelen. Dat heeft een eigen enthousiast circuit van concerten. Daarnaast bestaat een gedeeltelijk overlappende groep van mensen die zeggen: “Ik wil dolgraag bijzondere kamermuziek doen.” Dat moet heel broederlijk naast elkaar kunnen bestaan. In een kleine bezetting een Mozart-symfonie spelen met het Concertgebouw Kamerorkest is ook een heel zware klus. Het zijn specialisten binnen het orkest. We zijn altijd bezig om die groep spelers uit te breiden, het liefst zouden wij iedereen er bij betrekken.’

Na het broeden

TL: ‘Hoe stellen jullie de programma’s samen? Een avond met een fles wijn?’

RR: ‘Daniël en ik zitten 1een tijdje op een aantal programma’s te broeden.’

DE: ‘Bij mij is het inderdaad een avond met een fles wijn luisteren en combinaties maken, maar meestal heb ik zoveel stukken in mijn hoofd, dat ik zo al voor een paar jaar programma’s kan bedenken. Maar het leukste is om die dan eerst te beluisteren, als er ten minste opnamen van bestaan.’

RR: ‘We luisteren ook wel eens samen. De meeste stukken kennen we natuurlijk. Ik heb van Daniël nog velletjes van acht jaar geleden met stukken erop die we zouden moeten spelen. Ik heb zelf een schrift met allerlei bezettingen en met stukken die we ooit zouden moeten doen. Op een gegeven moment leggen we dat bij elkaar en stellen een jaarprogramma van vier concerten op, dat aan de Vrienden wordt voorgelegd. Dan wordt gekeken of het budgettair haalbaar is. We zijn ooit wel eens riant over het budget heen gegaan, maar toen was de serie al aangekondigd en zijn de Vrienden toch zo genereus geweest om ermee door te gaan. Als alles programmatisch en financieel is goedgekeurd door de Vrienden, gaat Trix enhoven haar werk doen. Zij bestelt de muziek, stelt repetitieschema’s samen, overlegt met de NV om te kijken of er niet toevallig doublures zijn in de Kleine Zaal.’’

DE: ‘Er zijn eigenlijk drie soorten programma’s: programma’s die jij maakt, programma’s die we samen maken, en programma’s die ik maak. Er zijn programma’s waarvan je zegt: “Dat is een echt Rien-programma” – sterk en sober. De programma’s die we samen maken: heel verrassen hoe we elkaar kunnen aanvullen. En de programma’s met een neiging tot overvloed, die ik zelf heb bedacht. Soms komt Rien wel eens met iets, dat is af, dat moet dan zo geprogrammeerd worden.’

RR: ‘Soms zijn er dingen die Daniël al heel lang bedacht heeft, met een bepaalde combinaite van stukken. Daar moet je ook niet aan tornen, want dat heeft goede innerlijke samenhang: intact laten. Als dat dan ook door de Vrienden goed gevonden wordt, zijn we in de zevende hemel. Toen ik nog in de artistieke commissie zat, heb ik met Henri Dutilleux wel eens gesproken over zo’n programma, maar dat is nooit iets geworden. Op een gegeven ogenblik hebben wij in Italië een week opgetrokken met Jean Françaix. Françaix is een echte muzikantencomponist: je studeert je te pletter en dan zeggen ze in de zaal nadat we ik weet niet hoeveel repetities hebben gehad en ontzettend gestudeerd hebben: “Oh ja, dat is wel aardig.” Ik weet hoe men over hem denkt, maar het is een enorme vakman en iemand die de sfeer van een bepaalde periode van de Franse muziek meeneemt. We hebben Sawallisch gehad als pianist, Elly Ameling, Herreweghe, en niet te vergeten Stefan Genz – echt grote mensen. We zouden moeten proberen een Michael Tilson Thomas eens een keer piano te laten spelen, of Radu Lupu, die er over anderhalf jaar is, moeten strikken voor zo’n kamermuziekconcert. Dat houdt in dat je de programmering van twee jaar vooruit moet kennen, en dan moet de zaal ook vrij zijn.’

Mecenas

DE: ‘Muziekmaken is natuurlijk iets fantastisch, maar ook veeleisend, al dat gestudeer, al die spanning, al dat gesjouw [Daniël is cellist, red.]. Stel dat je heel veel geld hebt, dan zeg je tegen je collega’s: “Hier heb ik een stapel muziek en ik wil dat graag horen: bij voorbeeld de Vioolsonate van Marcel Labey of dat Strijkkwartet van Samazeuilh. Jullie krijgen de man drieduizend gulden, ik zorg voor vrienden en wijn: voer die stukken voor me uit.” Ik heb zelf geen rooie cent, maar ik kan nu ook stukken die ik graag wil leren kennen op het programma zetten en die worden dan zomaar gespeeld in de Kleine Zaal. Wat wil je nog meer?’

RR: ‘Met Sjoerd van den Berg hebben we eens overdacht om heel enthousiaste Concertgebouwvrienden, die ook geld aan het orkest besteden, bij wijze van cadeautje eens een huisconcert te geven. Hetzelfde programma herhalen gaat vaak niet, omdat het aantal musici te groot is, dat hangt sterk met de akoestische omstandigheden samen, maar je zou een klein programma kunnen samenstellen met een paar musici, waar je echte muziekliefhebbers en plezier mee zou kunnen doen. Dat zou heel leuk zijn. Het zijn zware concerten: je speelt moeilijke stukken met weinig repetities, en dan meteen in de Kleine Zaal, dat is haast onmenselijk… de mogelijkheid van een extra uitvoering zou heel welkom zijn. Het is ook leuk om uit te zoeken wie de stukken gaan spelen. Dan heb je tem aken met de praktijk: wie heeft er vorig seizoen al gespeeld en wie weinig of nooit. Je ontkomt er natuurlijk niet aan dat je bepaalde strijkers of blazers graag weer wil horen of juist in dat speciale stuk, en wie zet je er dan bij? Je krijgt steeds nieuwe combinaties. Op een bepaald moment zitten ze op het podium. Wat je op papier hebt ontwikkeld, gaat opeens klinken. Dat is een wonderlijke ervaring.’

Een jubileumprogramma

PS: ‘Hoe lang bestaan deze concerten nu?’

RR: ‘Ongeveer tien jaar.

TL: ‘Kunnen jullie hier en nu een programma samen stellen?’

RR: Ravel Septet, Mallarmé-liederen van Ravel, Balmont Songs van Stravinsky voor dezelfde bezetting met Anne Sofie von Otter, en dan mag jij na de pauze maken.’

DE: ‘Na de pauze één stuk, bij voorbeeld Quatuor pour la fin du temps van Messiaen. De eerste helft is kort, hoor…’

RR: ‘Je krijgt het op papier. Zo werkt het in de praktijk niet: “Verzin een programma.”

DE: ‘Jawel, het kan wel. Dan kom ik toch in de Franse hoek terecht. Wat ik heerlijk zou vinden is één avond één componist. Een hele avond Gabriel Pierné. Na de pauze zijn Pianokwintet, een grandioos stuk, voor de pauze óf de Vioolsonate, en het Strijktrio of het Fluittrio; of na de pauze het Pianokwintet van Vierne en vóór de pauze de Cellosonate van Pierre de Bréville. Schitterende muziek. En het Pianotrio van Guy Ropartz. Dat is een programmam dat ik dolgraag zou willen horen of meespelen. Dan is er een fantastisch programma met het Ravel-duo voor cel en viool, Contrasten van Bartók, gecombineerd met het Strijktrio of het Pianokwartet Hasards van Florent Schmitt, die in zijn melodie veel met Ravel te maken heeft en in zijn ritme met Bartók. Of het duo voor piano en cel, dat ik dolgraag wil horen… Dit is wel een echt fijnproeversprogramma, hoor. Eventueel gecombineerd met Ravels Pianotrio, maar dan wordt het weer te zwaar, ook om uit te voeren.’

PS: ‘Is de radio geïnteresseerd in de Vriendenconcerten?’

RR: ‘De radio is bijna dood. Wat die mensen daar doen, begrijp je helemaal niet. We hebben dat al voorgelegd aan de NCRV en de AVRO - Classic FM betaalt helemaal niet – in het jaar dat we zo stevig boven het budget begroot hebben. We waren vrij laat, maar in principe toonde de radio enige interesse. Voor sommige programma’s kan het, met wat grotere bezettingen, maar als je heel kwetsbare stukken hebt die voor het eerst gaan, dan is het de vraag of het zinvol is om dat meteen voor de radio te doen, omdat er toch een behoorlijk druk op de spelers wordt gelegd. Met het orkest doen we het tegenwoordig ook zo, dat een Mahler-symfonie wordt opgenomen, nadat we die een aantal keren gespeeld hebben. En waarom zou je dan een wildmoeilijk trio van Ravel of Florent Schmitt meteen bij de eerste uitvoering al gaan opnemen, terwijl er misschien plaatopnamen van zijn waar je mee moet concurreren. Zeker zijn er concerten die opgenomen kunnen worden, ook door het unieke karakter ervan, maar ook concerten waarmee je wat mij betreft voorzichtig zou moeten zijn. Ik vind het nog steeds heel jammer dat het programma dat we vorig jaar hebben gedaan en dat Daniël had bedacht, met Schoeck en Schaeffer, niet is opgenomen. Dat was een spectaculair mooi programma, een van belevenissen van die serie en heel fantastisch uitgevoerd. Je zou eigenlijk de vrijheid moeten hebben om alles op te nemen en op een gegeven moment datgene uitte zenden, wat goed is. Er zijn stukken bij die zo weinig gespeeld worden en heel fantastisch zijn, dat je ze alleen al als documentatie zou moeten opnemen.’’

DE: ‘Nog één ding: er zouden vaker collega’s moeten komen luisteren. Kritiek: leerzaam, waardering: altijd héél fijn…In ieder geval erover praten. Laten we eerlijk zijn, die glazen wijn na afloop, daar gaat het eigenlijk allemaal om.’

 

Peter Steinmann en Truus de Leur

Kcourant - oktober 1999

Auteur
Truus de Leur
Peter Steinmann
Details
DaniŽl Esser (D.S.)
Rien de Reede (M.H.)