Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Zevenentachtig jaar Adriaan van Woudenberg

Ervaringen om nooit te vergeten

Mensen Adriaan van Woudenberg 2013

Aan het woord is een unieke figuur in de geschiedenis van het KCO; hij heeft Willem Mengelberg, Eduard van Beinum en Bernard Haitink als chef-dirigenten meegemaakt; hij vierde vorig jaar november zijn zevenentachtigste verjaardag; hij trad zeventig jaar geleden in dienst van het orkest, ging in 1985 met pensioen en volgt tot op de dag van vandaag de verrichtingen van het orkest, luistert naar vrijwel alle programma’s en bezocht tot voor kort ook regelmatig repetities. Met zijn jongste opvolger, Laurens Woudenberg, heeft hij uiteraard al contact gehad. We hebben het over voormalig solohoornist Adriaan van Woudenberg.

Opleiding

'Mijn vader had ook dolgraag in de muziek gewild, maar in zijn jeugd, mijn grootvader is van 1865, kwam je als muzikant vaak terecht in militaire orkesten. Het woord kunstenaar, schilder, beeldhouwer of muzikant betekende heel apart volk en het verdiende niet veel. Maar omdat mijn vader een schim van talent zag in zijn jonge zoon, heeft hij er alles aan gedaan om mij wel te geven wat hij niet mocht ervaren. Dus eer aan hem. Ik mocht naar de muziekschool, daarna kwam ik bij Richard Sell. Bij hem heb ik mijn hele opleiding genoten. Hij was solohoornist van het Concertgebouworkest en hoofdleraar aan het conservatorium. Ik was nog een beetje te jong, en ik moest toestemming krijgen van de inspecteur van het onderwijs. Er werd als eis gesteld dat ik wel naar het conservatorium mocht, maar belangrijke vakken en talen me privé eigen moest maken, zodat ik uiteindelijk het niveau had van een eindexamen van de middelbare school zou hebben. Ik had ook het geluk dat ik bij een goede pianoleraar kwam, de heer Smalt.’

Ervaringen die je nooit vergeet

‘Drie maanden voor mijn eindexamen werd ik aangenomen bij het Concertgebouworkest. Ik kwam onder hoede van mijn leraar en ik mocht alle partijen spelen in de groep, maar ik mocht ook naast hem zitten en dan zei hij af en toe: “Nou, speel jij maar.” Ik herinner me de eerste uitvoering met Mengelberg, onder andere de Pastorale van Beethoven, waarin ik een solootje mocht spelen op de tweede hoornplaats. Nou, dat was een ervaring! Dat eerste concert herinner ik me als de dag van gisteren, die repetities met de legendarische, praatzieke Mengelberg. Toen kwam het concert met De getemde feeks. Ik was ontzettend opgetogen, ik kon bijna niet meer spelen. Ik heb wel gespeeld, maar ik had niet zo’n belangrijke partij natuurlijk. Walter Gieseking speelde daar het Vierde pianoconcert van Beethoven. Die ervaring vergeet ik nooit. Wat ik ook nooit zal vergeten: ik kreeg steeds uitstel van dienstplicht en in de oorlog van de ‘Arbeitseinsatz’, maar op een gegeven moment kreeg ik geen uitstel meer. Het bataljon waarin ik was geplaatst, is later bij de politionele acties naar Indië gestuurd en daar zijn er maar weinig van teruggekomen. Ik had het voorrecht, ik durf het nu te zeggen, dat ik werd afgekeurd. Na een periode van een maand of vier, vijf kwam ik terug in het orkest. Wat ik toen meemaakte… Ik stond boven in de gang achter de deur en deed hem heel voorzichtig open. En wie stond er op de bok? Klemperer! Hij dirigeerde het eerste en het tweede deel uit de Pastorale. Ik was zo aangedaan en geroerd…’ Adriaan knippert ook na al die tijd even met de ogen. ‘Na mijn hoornexamen heb ik in de tijd dat ik in het Concertgebouw was, ook het eindexamen hoofdvak piano kunnen doen. En daar heb ik altijd veel profijt van gehad. Hierbij kom ik terug op mijn vader, die altijd zei dat als je ooit in een toestand komt dat je niet meer kunt blazen, je op een andere manier vaardig moet zijn. De oorlogstijd waarin geen enkel vertier was, heb ik benut met studeren. De dingen die andere jongens tussen de vijftien en de twintig doen, heb ik dus niet beleefd.’

Buitenlandse orkestleden

‘Toen ik in 1943 bij het orkest kwam, waren er net als nu heel veel buitenlanders. De musici, die Mengelberg op de eerste plaatsen nodig had, kon hij in Nederland niet vinden. Op het moment dat hij naar Amsterdam kwam, was het orkest nog niet het wereldberoemde orkest van nu. Dat heeft hij in al die jaren gevormd en daar had hij mensen voor nodig. Als buitenlandse orkestleden hadden wij hoboïst Georges Blanchard, fluitist Hubert Barwahser, paukenist Vater, de klarinettisten Rudolf Gall en Hans Helmke. Later ook de fagottist Brian Pollard, Bernie Spieler als bassist, de twee tubaïsten Roger Bobo en Donald Blakeslee en een reeks concertmeesters. Ik noem Zoltan Székely, Jacob Krachmalnick en Steven Staryk. Dat waren allemaal mensen vóór de grote periode van Olof en Krebbers. Aan solocellisten hadden we behalve Tibor de Machula en Jean Decroos, de plaatsvervangend solocellist Arpad Szomoru uit Hongarije. Ik ga niet herhalen wat er allemaal gezegd is over Mengelbergs uitgangspunten. De maatregelen ten aanzien van de orkestleden waren nogal streng. Hij zei eens tegen een altist, die vlak voor hem zat: “Meneer, u zit er bij als een oud wijf.” De altist zei: “Meneer Mengelberg, u moet eens in de spiegel kijken.” Hij werd veertien dagen geschorst, zonder salaris. Mengelberg was zoals elke dirigent eigenlijk, een enkele uitgezonderd, niet bemind bij het orkest. Door zijn optreden, maar ook door de eisen die hij stelde. Maar als hij die eisen niet had gesteld, had hij het orkest niet naar zo’n hoog niveau kunnen tillen. Zijn concerten waren meeslepend. Op die momenten waren de orkestleden eensgezind en dat werd geuit in een perfect en met enthousiasme uitvoeren van het werk.Mengelberg had ‘de chocoladeclub’ om zich heen: enkele personen die hem adoreerden en dus alle mogelijke dingen die hij verkeerd deed verontschuldigden. Eén daarvan was Tante Ellie [Bijsterus Heemskerk, eerste violiste en zijn vertrouwelinge in het orkest, red.], die het voor hem opnam, ook inzake zijn houding in de politieke situatie.’

‘Ik was gewend tegen ouderen “u” te zeggen’

‘Dan die grote sprong, waar al zoveel over is geschreven: met Van Beinum begon er niet alleen muzikaal, maar ook sociaal een hele andere periode. Het orkest was één familie. Desondanks zei hij nog altijd “meneer Bos” of “meneer De Klerk” of “meneer, zou u dit of dat willen doen?” Toen de generatie van het Blazers Ensemble haar intrede deed, werd het de gewoonte om iedereen gewoon bij de voornaam te noemen. Dat was voor de oudgedienden natuurlijk een beetje vreemd. Ik was gewend tegen ouderen “u” te zeggen. Op een gegeven moment geneerde ik me dood dat ik een van de laatsten was die tegen Haitink “meneer Haitink” en “u” zei. Dat werd op het laatst, vond ik zelf, bijna beledigend. Alsof je een soort afstand wilde creëren, die door te tutoyeren een gemakkelijke manier overbrugd werd.De drie dirigenten waar ik onder heb mogen spelen – zo werd dat vroeger gezegd, niet mee, maar onder – waren Mengelberg in zijn laatste jaren, de grote bloeitijd van Van Beinum en Haitink, die ik heb meegemaakt vanaf het begin. Daarnaast heb ik legendarische gastdirigenten mogen meemaken: Stokowski, Ormandy, Szell, en een heel leuk zijpad, Danny Kaye. Die laatste was van hele andere orde natuurlijk, maar net zo onvergetelijk.’

Het primadonna-systeem

‘Ik noemde al de namen van musici die Mengelberg heeft binnengehaald om daarvan te profiteren. Dit primadonna-systeem hield in dat alleen die topmensen voor hem bestonden. Naast die topsoloblazers zaten spelers die toen plaatsvervangend soloblazers werden genoemd. Later veranderde de naam in tweede soloblazer, tot het moment dat er twee gelijkwaardige soloblazers kwamen. Als op een gegeven moment de tophoornist ziek werd, zat daar plotseling Jan Bos en zei Mengelberg: “Wie is die meneer?” Vlak bij hem werd dan gezegd: “Dat is meneer Bos, die is al tien jaar in dienst.” ’Jan Bos begon zijn loopbaan in het orkest als plaatsvervangend eerste hoornist naast de uit Duitsland afkomstige Richard Sell. Toen was hij het slachtoffer van het primadonna-systeem; later werd hij als solohoornist zelf een van de coryfeeën en kwam Adriaan van Woudenberg in die positie te zitten. Op verschillende manieren heeft het primadonna-systeem een belangrijke rol gespeeld in de loopbaan van Adriaan.‘In mijn begintijd had de solospeler iemand naast zich, bij de hoorns was dat mijn persoontje. Er werd veel verdubbeld, zodat bij elk concert waarin belangrijke solo´s voorkwamen, de soloblazer fris was en alles kon geven. Dat was natuurlijk in het voordeel van het orkest, de dirigent en het publiek. Het is ook wel eens gebeurd dat ik aan mijn collega kenbaar maakte dat ik het zo leuk zou vinden die mooie solo uit de Derde van Brahms te spelen bij de plaatopname met Van Beinum. Op de plaat mocht ik het toen spelen, maar tijdens de laatste repetitie voor het concert – en dat was niet omdat ik het bij de opname slecht had gedaan – zei Van Beinum: “Meneer Bos, ik zou het toch wel prettig vinden, als u het vanavond speelde.” Nou, dat was niet leuk, maar daar leer je van.Voor de tweede man in elke groep was het veel moeilijker als er een solootje gespeeld moest worden en zeker voor de derde, die dat nog veel minder deed. Als voorbeeld geef ik de vierde-hoornsolo in de Negende symfonie van Beethoven, een grote solo in het langzame deel. In de tijd van Mengelberg werden die partijen even gewisseld; dat moest de solohoornist spelen. Met een nieuwe generatie spelers zei de vierde hoornist op een gegeven ogenblik dat hij dat zelf wel kon spelen. Dan gaf je daar natuurlijk gehoor aan, in overleg met de dirigent. Maar het was voor zo’n vierde hoornist ongelooflijk zwaar, nooit één solo, en dan ineens die uitgesproken solo waar iedereen op zit te wachten.’

Mensen Adriaan van Woudenberg jaren 80

Bernard Haitink

‘Na Van Beinums plotselinge dood kwam de jonge Haitink. Dat was natuurlijk een fantastische, maar ook enigszins gewaagde keus, mag ik zeggen. Het was iemand die kon uitgroeien tot een grote dirigent, maar er was geen garantie. Ik weet uit betrouwbare bron dat Flothuis Haitink heeft moeten overhalen. Ze hebben die gok genomen. Na twee jaar samenwerking met Eugen Jochum vond men dat hij zo was gegroeid dat hij zelfstandig verder kon gaan en hij is een wereldberoemd dirigent geworden.‘Ik ben nog steeds blij en trots dat ik zo lang in het Concertgebouworkest heb mogen spelen’‘Ik ben de concerten blijven bezoeken en heb alles van het Concertgebouworkest gevolgd. Er zijn mensen die om een of andere reden het orkest voortijdig hebben verlaten. Als je vroeger eenmaal in het Concertgebouw terecht kwam, was dat het eindpunt. Maar ik heb het zelf ook meegemaakt en daarom begrijp ik de mensen van nu misschien beter. Op een gegeven moment realiseerde ik me: als ik hier blijf, blijf ik tot mijn pensioen. We speelden met Van Beinum in Interlaken, een van de eerste buitenlandse reizen. We speelden de Zevende van Bruckner, want na Mengelberg met Mahler, Beethoven en Tsjaikovsky had Van Beinum zich gericht op Bruckner en de Franse muziek. Daarvoor moesten er twee Wagner-tubaïsten uit Zürich komen. Een van hen zei: “Er is een plaats bij ons vrij als solohoornist, voel je ervoor om proef te spelen?’ Nou, zei ik, waarom niet? Ik dacht, ze nemen me toch niet aan, de kans is klein en als ik wel word aangenomen, dan hoef ik alsnog niet te gaan. Dus ik heb daar gespeeld en ik mocht naar Zürich komen. Toen stond ik voor een beslissing. Ik heb het niet gedaan. Mijn vader stierf toen hij eenenvijftig was en mijn moeder was weduwe. Als ik naar Zwitserland was gegaan, was ik voortvluchtig geweest omdat ik nog dienstplichtig was en dan had ik het land niet meer in gemogen. Als mijn moeder wat zou overkomen, kon ik niet eens naar haar begrafenis. Dus heb ik geweigerd.’‘Dan kom ik terug op het primadonna-systeem. Een hele goede vriend van mij, Louis Salomons, verkeerde naast Thom de Klerk in dezelfde situatie als ik naast Jan Bos. Op een gegeven moment hield hij het niet meer uit en is naar Havana vertrokken, waar Erich Kleiber dirigeerde, lang voor de tijd van Fidel Castro natuurlijk. Louis zei: “Ik heb het hier zo goed, ik heb een mooi huis en personeel en ik kan hier spelen wat ik wil. Kom ook, het is fantastisch.” Op voorspraak van Louis kon ik daar ongezien komen onder voorwaarde dat als het niet zou bevallen, ik weer weg zou moeten. Die aanstelling heb ik, omdat ik intussen kinderen had, ook geweigerd. Voor beide weigeringen, die mij enige moeite hebben gekost, ben ik nu nog dankbaar. Ik ben nog steeds blij en trots dat ik zo lang in het Concertgebouworkest heb mogen spelen.’

Grote solisten en dirigenten

‘Om met de solisten te beginnen: pianist Joseph Pembaur, leerling van Liszt, speelde de Totentanz van Liszt. De grote Panzéra, Heifetz, Milstein, Rostropovitsj, Gieseking, Anda, de komst van Maria Callas, die optrad met haar favoriete dirigent Nicola Rescigno in het Holland Festival van 1959. Natuurlijk de grote Nederlandse zangeressen, Aaltje Noordewier, Jo Vincent, Corry Bijster en Elly Ameling. Zo kan ik nog wel even doorgaan, wat een voorrecht! En later toen ik al gepensioneerd was, al die grootheden. Er zijn er steeds meer gekomen.In Edinburgh heb ik in 1957 Kathleen Ferrier met Bruno Walter meegemaakt. Dramatisch was, dat Dennis Brain daar het Tweede hoornconcert van Strauss met ons zou komen spelen. We keken er allemaal naar uit. Brain speelde kort tevoren een recital in Edinburgh en reed zoals hij gewend was in een sportwagen diezelfde nacht nog terug, waarbij hij verongelukte. In plaats van het hoornconcert werd het tweede deel uit de Onvoltooide van Schubert gespeeld dat aan Dennis Brain werd opgedragen. Onvoltooid leven, onvoltooide symfonie.’

Het ongrijpbare idee van dirigeren

‘Over elke dirigent waar naar je me vraagt, kan ik uren praten. Dan komt Eugen Jochum natuurlijk aan de beurt en dan Josef Krips, in volgorde van mensen die ik zeer hoog heb zitten, maar ook Sanderling, Szell, Bernstein, Ančerl, Klemperer, Walter en Davis. Al die dirigenten waren van een ongelofelijk hoog niveau, maar allemaal kregen ze op een andere manier gedaan wat ze gedaan wilden krijgen. Dat maakt het hele idee van dirigeren zo ongrijpbaar. Over Kondrasjin heb ik het graag, want als er één dirigent was waar ik mee bevriend was, was hij dat. Dat was een enorme pedagoog, dat werd ook gezegd. Daar zit aan vast dat hij op een eigenzinnige manier repeteert en perfectionist is. Ook Fournet, Chailly en vele anderen waren perfectionist. Maar al deze perfectionisten konden zich tijdens de concerten geheel overgeven aan het herscheppen. Charles Münch was een ongelofelijke, echte kunstenaar; hij had evenveel negatieve als positieve eigenschappen die bij het kunstenaarschap horen, maar bereikte ontzettend veel met het orkest. De Sabata vond ik destijds een heel erg groot dirigent. Natuurlijk Carlos Kleiber, maar ook zijn vader, Erich Kleiber.’

‘Ik kan het en ik doe het’

‘Ik las laatst in de KCOurant dat er een scriptie was geschreven over de spanning bij orkestleden voor een bepaalde solo. Je hebt natuurlijk ook solisten die last hebben van zenuwen. Ik weet dat ze destijds Clara Haskil het podium moesten optrekken. Tibor de Machula zat al twee uur van tevoren in te spelen, een ander kwam vijf minuten voor het concert binnen, pakte uit, stemde en ging meteen het podium op. Nerveus is iedereen. Je moet nerveus zijn, maar je moet die nervositeit omzetten in productiviteit. En je moet daar volledige controle over hebben. Ik heb ook enkele malen solist mogen zijn, maar de tijd vóórdat je daar staat is veel erger dan wanneer je er eenmaal staat. Dan moet je zeggen, ik kan het en ik doe het. Bij hele belangrijke solo’s, Till Eulenspiegel, Ein Heldenleben, noem maar op, heb ik op de repetitie altijd gedacht: ‘Dit is het concert’, en tijdens het concert dacht ik, ‘Op de repetitie kan ik het, dus ook op het concert.’ Dat waren mijn hulpmiddelen.’

Pensioen

‘Er zijn orkestleden die vijf jaar van te voren zeggen dat ze gelukkig over vijf jaar met pensioen gaan. Anderen vinden het jammer met pensioen te moeten. Er zijn gepensioneerde orkestleden die op het balkon zitten en vinden dat zij eigenlijk op het podium horen te zitten, terwijl anderen het ontzettend fijn vinden dat daar een fantastische opvolger zit. Op een gegeven moment kost het spelen van een solo tien keer meer inspanning. En als je dan voelt dat die inspanning je te groot wordt, is het verstandig om weg te gaan.’ Adriaan is zelf met pensioen gegaan toen hij tweeënveertig jaar in het orkest zat. Zijn afscheidsconcert was de Kerstmatinee met de Tweede symfonie van Mahler: ‘Uiteindelijk was ik blij dat ik op tijd ben opgehouden. Eén dag te lang spelen is veel erger dan een jaar te vroeg ophouden. Brian zei altijd: “We stappen op een boot en we koersen af op een bepaald doel, en op een bepaald moment stappen we weer van die boot af.”Als vanzelf komen we aan bij het volgende onderwerp.

Veranderde tijden

‘In 1954 maakten wij de eerste reis naar Amerika. Drie mensen konden wegens communistische sympathieën niet mee: de hoboïsten Haakon Stotijn en Cees van der Kraan en een violist, Lou Biloen. Er werden pamfletten uitgedeeld met de tekst “een orkest zonder deze drie mensen, is het Concertgebouworkest niet meer.” De reis is toch doorgegaan, met twee hoboïsten uit Wenen, de heer Winschermann en nog iemand. Ze vroegen een krankzinnig honorarium. Die reis was met Van Beinum en Kubelík. Later was er een gecombineerde reis met Haitink en Kondrasjin. De staf zat in de beste hotels. Ik heb met Wim Groot [Adriaans vaste kamergenoot, red.] in een zo vreselijk hotel in Londen gezeten, dat de orkestinspecteur erbij moest komen: “Hier kun je niet in”, en zo was dat. We logeerden altijd met zijn tweeën op een kamer totdat dit niet meer geaccepteerd werd. Iedereen moest een eigen kamer hebben en nog later ging de staf van tevoren bekijken of de hotels wel goed waren. De tijden veranderden. De wensen van de werknemer werden meer gehonoreerd, er kwam meer medezeggenschap, ook wat betreft de aanstelling van dirigenten. Dat is begonnen bij Chailly. Chailly is gekomen onder medezeggenschap van de orkestleden.

Mensen Adriaan van Woudenberg Danzigkwintet

Danzi Kwintet

‘Je was dan wel als soloblazer aangesteld maar je probeerde toch om solo te spelen bij andere orkesten. Dat was vaak moeilijk, maar het is regelmatig gelukt. Een andere manier om een uitdaging voor je vaardigheden te vinden, was kamermuziek spelen, bijvoorbeeld bij Het Danzi Kwintet opgericht door fluitist Frans Vester. In het begin waren er slechts twee leden van het orkest, later vier: Brian Pollard, Jan Spronk, Piet Honingh en ik. We hadden veel succes en zijn uitgenodigd in Canada bij de Wereldtentoonstelling in Montreal, in Italië, Duitsland, Amerika en Rusland. Ook hebben we een groot aantal platen gemaakt. Maar het was niet altijd mogelijk om vrij te krijgen, daarvoor we hebben niet altijd de grootste medewerking gekregen.’

Chasa Mengelberg

De Chasa, Mengelbergs huis in het Zwitserse Zuott waar hij na zijn verbanning uit Nederland na de Tweede Wereldoorlog verbleef, was door hem na zijn dood bestemd als vakantieoord voor orkestleden. Na Ellie Bijsterus Heemskerk heeft Adriaan jarenlang de zorg voor de Chasa op zich genomen. ‘Omdat ik piano speelde, heb ik het genoegen gehad te mogen spelen op het klokkenspel dat Mengelberg had laten aanleggen in de kapel waar hij ook lag opgebaard lag na zijn dood.’Adriaan wil het interview graag afsluiten met de volgende woorden: ‘De afwisseling van het spelen in het orkest, het lesgeven aan de conservatoria in Amsterdam, Maastricht en Tilburg en het in brede zin actief zijn met de kamermuziek heeft altijd een stimulerende en verfrissende invloed op mij gehad. Evenals het betrokken zijn bij diverse kamermuziekcursussen in Duitland, Zwitserland, Zweden, Italië, Amerika en Rusland. Hierdoor heb ik mij de eerste vier jaren van mijn pensioen als hoorn- en kamermuziekleraar verbonden aan de Musikhochschule in Trossingen in Duitsland. Waar ik ook met grote voldoening aan terugdenk, is het optreden met het orkest onder leiding van Antal Doráti door vier leden van het Danzi Kwintet (Jan Spronk, Piet Honingh, Brian Pollard en ikzelf), in de Concertante symfonie van Mozart, het optreden met de koperblazers tijdens de inhuldiging van koningin Beatrix, en mijn veertigjarig jubileum waarin een twintigtal leerlingen van mij onder leiding van Hans Dullaert met prachtig hoorngeschal voor een muzikale gelukwens zorgden. De sfeer in de hoorngroep werd gekenmerkt door saamhorigheid, gevoed door alle leden van de groep. Dit had uiteraard een goede invloed op het muzikale functioneren. Ik heb zowel voor mijn voorgangers als voor degenen die na mij zijn gekomen, grote waardering en respect. Ik wens het hele orkest in dit bijzondere jubileumjaar een lange voortzetting toe van opeenvolgende successen en voldoening bij het musiceren.’

Truus de Leur       Kcourant maart 2013

replica watches

Auteur
Truus de Leur
Details
Adriaan van Woudenberg