Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Jos de Lange over klokkentonen, kamermuziek en speelplezier

Wiskunde is een boeiend vak, maar muziek is gezelliger

Mensen Jos de Lange 2012

 

De twee belangrijkste onderwerpen van gesprek liggen meteen op tafel, met de aantekening dat gezelligheid voor Jos ook heel belangrijk is. Het seizoen wordt feestelijk afgesloten in huize De Lange: zijn vrouw Aafje heeft haar Bachelors Algemene Cultuurwetenschappen behaald aan de Open Universiteit en oudste dochter Adinda sloot haar gymnasiumopleiding af en gaat Industrieel Ontwerpen studeren in Delft: ‘ze gaat mooie dingen maken,’ zegt Jos, ‘en vanavond gaan we alles vieren.’

Een groot aantal onderwerpen passeert vervolgens in hoog tempo de revue, en ik krijg de indruk dat hij nog sneller denkt, dan hij praat. Het is onmogelijk om van alles, hoe interessant ook, verslag te doen. Ik moet een keuze maken.Pas nadat hij in 1982 in het Concertgebouworkest kwam – hij was toen 27 jaar oud – voltooide Jos, tweede fagottist in ons orkest en verantwoordelijk voor het aantrekkelijke uiterlijk van de KCOurant, zijn conservatoriumopleiding in Amsterdam (1984) en de studie wiskunde in Nijmegen (1986), beide met lof. Hij was op zijn negentiende met fagotspelen begonnen. Hij had het geluk dat hij in Nijmegen de enige fagottist in de wijde omgeving was, en werd onmiddellijk overal gevraagd om mee te spelen: in het studentenorkest, in een kamerorkest en in kleine ensembles van particulieren die net hun vleugel hadden verruild voor een klavecimbel en barokmuziek speelden, ‘veel Zelenka-sonates’. Hij had les van Wilma Meijer, vervolgens van John Mostard van het Rotterdams Phil, die hem al vrij vroeg liet remplaceren in zijn orkest en hem tot aan zijn eindexamen aan het Amsterdams conservatorium les bleef geven.

In 1982 speelde hij proef en werd tot zijn verbazing aangenomen in het Concertgebouworkest. Hij kreeg de plaats van Guus Dral, die opschoof, of afdaalde, naar de contrafagot. In de vorige KCOurant hebben we Guus helaas moeten herdenken.

 

‘Voor een groot deel heb ik het fagotspelen in het orkest geleerd. Ik zat naast Joep Terwey en naast Brian Pollard (beiden eerste fagottist in ons orkest, red.), prachtige fagottisten. Ik zoog alles op. Ik kwam in de glorietijd van Haitink en in mijn eerste jaren heb ik Kleiber en Bernstein meegemaakt, dat is ongelofelijk. Ik vond het zo vanzelfsprekend dat ons orkest zo vrij speelt, met rubato, met schwung, met glissandi. Als ik bij andere orkesten meespeelde, moest ik spelen wat er stond. Dat vond ik zo raar, dat kan toch niet de bedoeling zijn. Ik ben echt verwend.’

Gevraagd naar de rol van de dirigent vertelt hij: ‘Als ik goed luister, naar al die kleine dingen die wij kamermuziek noemen, hoeveel vibrato, waar vibrato, de stemming, de timing, de aanzet, dat kan een dirigent niet dirigeren, dat doen we zelf, ook nu weer met Jansons, die toch wat strakker is met de lijnen. Ik heb meegemaakt dat Chailly kwam, hij begon helemaal schoon, maar wat er aan het eind klonk, heeft hij toch wel voor een groot deel van het orkest overgenomen. Het was wel veel helderder geworden, maar de timing, de overgangen, de schmalz, dat pakt het orkest weer terug, door de zaal, door de geschiedenis. Iván Fischer, waar ik dol op ben, had dat door. Hem werd gevraagd in een interview “hoe leren al die jonge musici hoe zo’n orkest dat doet?” Hij zei: “dat leren ze niet van mij, dat leren ze van hun oudere collega’s, dat zit erin, dat geven ze aan elkaar door.”

Klokkentonen en kamermuziek

‘Als je bij het orkest komt, neem je de manier van spelen over. Typisch Nederlands is, geloof ik wel, dat wij ons ervan bewust zijn dat er verschillende stijlen van spelen zijn. Harnoncourt heeft daar veel invloed op gehad. Hij is ook de enige die iets zei over het gebruik van vibrato. Hij leerde ons dat alle noten in de achttiende en vaak in de negentiende eeuw klokkentonen zijn, meestal ontspannen, altijd ruimte makend voor andere stemmen. Het grootste compliment dat het orkest kan krijgen is dat het klinkt als kamermuziek. We hebben goede dingen van iedere dirigent overgenomen, bij Haitink was dat de sfeer, bij Chailly de precisie, maar de timing en de jus, dat nemen de dirigenten van ons over. Ik zie nu bij Jevgeni Onegin hoeveel Jansons toelaat wat wij aan vrijheden nemen; hij is ook genereus met het orkest zichzelf te laten zijn.’

Jos citeert Louise Fresco, die in de KCOurant zei: waarom zou je geen moeite moeten doen voor cultuur?‘Ze gaf dat voorbeeld van die lelies,’ vervolgt Jos, ‘als je er meer van af weet, worden ze nog mooier. Zo is het ook met muziek.’

Hij herinnert zich wat Harnoncourt opmerkte bij de uitvoeringen van Così fan tutte op de tekst ‘di pasta simile son tutti uomini’ (‘alle mannen bestaan uit dezelfde pasta’), waar de maat verandert in 6/8ste, ‘en waarom? ‘Omdat dat past bij de draailier die ze in de zeventiende eeuw hadden, die hield je op je schoot, en die draaibeweging was dezelfde als die van een pastamachine. Ik vind het leuk om te weten hoe een stuk in zijn tijd staat. Hoe meer je weet, hoe meer perspectieven er opengaan. Mozart moet ontzettend veel binnenpretjes hebben gehad.'

De KCOurant als e-book op iPad

 Mensen Jos de Lange RS‘Dat probeer ik ook bij de KCOurant. Iedereen die wat maakt, moet keuzes doen, en als je moet kiezen, maak je een leuke keus.’ Het is een sport voor ons mederedacteuren om de grapjes van Jos in iedere aflevering op te speuren. Sinds 2002 is hij verantwoordelijk voor de opmaak. In 2005 gaf hij de KCOurant, die voorheen in één kleur werd gedrukt, een waaier van kleuren en een uitgesproken eigen kleur: ‘Elk jaar komt er een nieuwe hoofdkleur voor de KCOurant. Dan begin ik in mei meestal, ik maak een aantal kleuren en zet die naast elkaar op de computer. Ik kan niet in een keer beslissen, dan wacht ik gewoon af. Dat gaat puur op het gevoel.’Een van zijn grootste zorgen is de huidskleur op de foto’s. ‘Ons oog is daar instinctief heel gevoelig voor. Daaraan weten we hoe iemand zich voelt,’ weet Jos en zet uiteen hoe het hele zorgvuldig samengestelde kleurenschema weer verandert als de ondergrond een andere kleur krijgt, wat bij de KCOurant nog wel eens voorkomt. ‘Een andere sport is om artikelen die te lang zijn toch op één bladzij te krijgen.’ Jos is inderdaad de meest meegaande en meest inventieve opmaker, die er is, kan ik als redacteur bevestigen. In de toekomst hoopt hij de KCOurant ook toegankelijk maken op alle media, ‘zodat je alles op internet kan lezen, doorscrollen, plaatjes vergroten, filmpjes zien etcetera. Of als e-book op iPad.’

Lesgeven

‘Waar ik veel van heb geleerd, is dat ik moest verwoorden, wat ik zelf doe. Veel jaren ervaring, hoe noten te beginnen en eindigen, timing, de intonatie niet omhoog laten gaan als een noot uitsterft, het is zo’n rijke wereld aan details, daar heb je als buitenstaander geen idee van. Leuk is het als leerlingen uit het buitenland komen, die niet zo ingewijd zijn in de barokmuziek, de retoriek en de klassieke stijl. Dan geef ik ze een paar regels, bij voorbeeld een herhaling is niet zo maar een herhaling, maar een intensivering. Zo zijn er honderden manieren om barokmuziek leuk te spelen. Het geeft veel voldoening om te merken dat leerlingen dat snel oppakken, dat hoef je ze dan nooit meer te leren.’

Hetzelfde geboortejaar als Steve Jobs en Bill Gates

‘Met wiskunde is het hetzelfde, daar kom je als buitenstaander niet meer bij.’ Met warmte vertelt Jos de Lange over zijn andere grote interesse: en hij vervolgt: ‘Ik kan tegenwoordig nog net volgen waar ze mee bezig zijn. In de snaartheorie kun je de wereld veel verder opentrekken dan de vier dimensies van Einstein, maar ik zou nooit op topniveau kunnen meedenken. Als ik in de wiskunde zou zijn doorgegaan, was dat wel informatica geworden. Dat kwam toen net op. De mensen die nu in de top zitten, Steve Jobs en Bill Gates en zo, hebben allemaal mijn geboortejaar. Ik ben nu een programmeertaal aan het leren om apps te maken en denk over een stemmingsmachientje om verantwoord tertsen en septiemen te kunnen vinden. In de wiskunde zijn even grote ontdekkingen te doen en toppen te bereiken. Richard Feynman, een flamboyante fysicus, kon fantastisch over natuurkunde vertellen, een soort Harnoncourt onder de fysici. Maar daar zou ik nooit mee in aanraking komen. Met Harnoncourt wel, en al die andere goden, als ik achteraf terugkijk.’

Gewoon beginnen

Over zijn rol als tweede fagottist wil Jos ook nog wel iets kwijt. ‘Zekerheid geven aan de groep. Dat heb ik van Kees Olthuis geleerd: wees duidelijk met je stemming. Als ik in een C-groot-akkoord een lage E heb, dan moet ik die een beetje laag nemen, want het is de terts; zo’n natuurlijke lage (grote) terts stemt zoveel mooier dan een grijze middle-of-the-road terts. Brian was daar heel streng in: je moet van iedere noot weten welke functie die heeft; dat ging ik in de partituur uitpuzzelen. Als je met een nieuw stuk of een nieuwe dirigent begint, is het altijd afwachten wat de timing is. Bij akkoorden gaat niemand als enige vroeg beginnen, want dat valt op. Iedereen wacht op elkaar. Als tweede fagot denk ik altijd “als ik vroeg begin, is dat niet zo erg,” ik ben niet zo ijdel meer. Dus ten behoeve van het grote doel begin ik wel en dan voel je dat er een soort zekerheid komt bij je groepsgenoten. Dat is wat de tweede fagot kan doen, gewoon beginnen. Die samenwerking is het allerbelangrijkste. Musici van buiten zeggen wel eens “jullie willen echt samenspelen”… Wij ademen samen, je helpt elkaar, je luistert, je geeft elkaar een complimentje… Regel nummer één van Brian voor kamermuziek: goede sfeer. De buitenlanders pikken gauw op hoe het orkest werkt: open, er wordt gepraat over stemmen, fraseren, ademen; er is een leuke en enthousiaste sfeer. Zo luister je ook naar de audities, je wil niet een saaie piet die alleen maar noten speelt, maar die iets dóet. Die wil je hebben.’

Speelplezier

‘Er is veel speelplezier in het orkest. Ik heb wel eens gedacht: langzamerhand heb ik alles wel eens gedaan, Mahler, Brahms, alles wel tien keer gespeeld, ik ga nog wat anders doen, maar ik zou toch dat samenspelen, dat plezier maken missen. Sinds een week weet ik dat ik tot mijn 66ste moet/mag spelen, vroeger kon je op je 61ste stoppen. Dat zijn niet de gemakkelijkste jaren voor een blazer. Ik studeer steeds harder, anders red ik het niet, ons orkest is zó goed, je kan niet een béétje achteruitgaan. Daarbij helpt lesgeven ook.’

Er kwam nog veel meer ter sprake: tournees, atonaliteit, de explosieve ontwikkeling van China, KCO-tradities (zijn het wel tradities, of is het gemakzucht?), de orkestopstelling, Thomas Adès en zijn muziek… ik zou haast zeggen: wordt vervolgd.

Truus de Leur

Kcourant oktober 2011

Auteur
Truus de Leur
Details
Jos de Lange (J.A.M.)