Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Paukenist Jan Labordus: "Het is moeilijk uit te leggen."

Paukenist Jan Labordus over werken met de groten.

Mensen Jan Labordus

 

Het gesprek met Jan Labordus, paukenist van 1953 tot 13 december 1991, toen hij, na 38 zeer welbestede en eervolle jaren in het orkest, van de VUT gebruik maakte, heeft plaats in Café Keyzer. Ik krijg niet de kans om voor ons beiden te bestellen, hij biedt mij hoffelijk maar beslist iets te drinken aan en dan steken we van wal. Hoewel zijn vertrek nog vers in het geheugen ligt, gaan zijn herinneringen terug tot de mythische of bijna-mythische tijden van de drie maanden lange tournee naar Amerika in 1954, de periode-Van Beinum, de periode-Haitink en gastdirecties van al even mythische persoonlijkheden als Monteux, Klemperer, Szell en Rosbaud. Maar eerst zijn favoriete componist:‘

Mijn favoriet is Mahler, fantastisch mooi. Spreekt me enorm aan. Dan weer teder, dan weer ordinair. Maar Brahms is ook mooi. Het is moeilijk uit te leggen. Je groeit langzaam, je wordt vader, grootvader, en dat beïnvloedt je ook als musicus. Haitink hield mij nooit tegen, Chailly ook niet. Dat is heel fijn spelen. Ik kon doen wat ik vond dat er komen moest, want je moet wat dóen met die muziek. Het belangrijkste staat niet in die noten. Maar dat is ook al moeilijk uit te leggen. Tegen leerlingen zeg ik altijd: in een orkest spelen is luisteren en nog eens luisteren. Je moet kleurtjes maken, net als een schilder. Ik had, denk ik, zo’n 25 paar stokken, harde, zachte, ertussenin en heel harde, allerlei soorten. Daarvan gebruikte ik in de regel vier of vijf paar. Dat wordt ook niet voorgeschreven, daarmee experimenteer je zelf.’

‘In 1953 kwam ik na een proefspel in het Concertgebouworkest. De proefspelcommissie bestond, anders dan nu, uit een man of negen: Van Beinum, de artistiek leider, de Artistieke Commissie en natuurlijk de heren slagwerkers: Cor Smit, Jan Straatmans, Thom van Dijk. De Bolero natuurlijk voor slagwerk, en de paukenpartij uit de Sacre. Het was niet erg duidelijk welke plaats ik zou krijgen. De bedoeling was tweede paukenist en slagwerker, de plaats van Jan Straatmans. Jan Straatmans zou Cor Smit opvolgen, maar hij kreeg steeds meer last van reuma. Jan was een goeie collega en een ontzettend muzikale man, daar heb ik ook veel van geleerd. Die opvolging lukte niet meer door die reuma. Cor Smit is nog een paar jaar na zijn pensionering aangebleven tot en met de eerste Amerika-tournee in 1954. Toen heeft Jan Straatmans tegen hem gezegd: “Cor, als je zo doorgaat, leert die jongen het nooit.” Ik had tot dan toe alleen af en toe een Mozart-concertje gespeeld en in Amerika de tweede paukenpartij in de Eerste Mahler onder Kubelík – daar heb ik trouwens nog een medaille van. Toen werd ik er ineens achter geschopt en vanaf dat moment heb ik alles gespeeld. Door de makke van Jan ben ik op de eerste plaats terecht gekomen.’

‘Labordus moet voor dienst de kazerne verlaten’

Als kind van een jaar of vier kreeg ik een blikken trommeltje van mijn tante Sjaan. Daar heb ik tot mijn zesde op gespeeld. Toen zei mijn vader: “Als jij dat zo leuk vindt, dan moet je daar mee doorgaan.” Zo kwam ik bij de jeugdharmonie, en vervolgens bij Cor Smit. Dat ging zó: in het begin van de oorlog zijn mijn ouders naar de Cornelis Krusemanstraat verhuisd. Aan de overkant woonde Cor Smit. Toen mijn vader hoorde wat hij deed, vroeg hij: “Wil je mijn zoon lesgeven?” Nou, ik voorspelen en Cor Smit zei ja, maar dan moest ik wel naar het conservatorium. Van 1945 tot 1949 zat ik op school tot ik in 1946, vijftien jaar oud, benoemd werd in Utrecht. Willem van Otterloo heeft mij daar nog aangenomen. Daar bleef ik tot 1951 toen ik in dienst moest. In dienst speelde ik kleine trom in het Trompetterkorps van de huzaren. Ik lag in Amersfoort en ’s avonds kon ik zelfs nog in het Utrechtse orkest meespelen. Mijn rokkostuum zat in een koffertje onder mijn bed. De overste zei dan: “Labordus moet voor dienst de kazerne verlaten.” Zo kon ik ook naar Utrecht om paukenvellen te kopen. Per 1 september 1953 – of zoveel eeerder als mogelijk, zo stond het in de advertentie – kwam er een vacature bij het Concertgebouworkest. Wie wilde daar niet spelen? Dat was de hoogste positie die je kon krijgen in Nederland. Ik speelde voor en kreeg het, maar ik zat nog in dienst. Op 21 maart 1953 zwaaide ik af en op 23 maart begon ik bij het Concertgebouworkest. Eerst moest ik ernaast zitten en kijken, toen spelen. Mijn loopbaan bij het orkest begon met de tamboerijnpartij in Debussy’s Ibéria onder Van Beinum. Ik stond te trillen als een riet. Dat was tijdens de zogenaamde “worteltjes-en-doppertjes”-reis door Duitsland en Zwitserland, gedeeltelijk ten bate van de slachtoffers van de watersnood in februari 1953. Overal wilden de hotels ons iets bijzonders voorzetten – je kreeg nog niet zoveel sejour en ik at altijd in het hotel – met het gevolg dat we die reis overal worteltjes en doppertjes kregen.’

‘Nemen jullie maar een voorbeeld aan die jongen daar’

Mensen Eduard van Beinum

‘Over Van Beinum als dirigent kan ik niet zoveel zeggen. Het bijzondere valt je dan nog niet zo op met al die bijzondere mensen om je heen: Stotijn, Barwahser, Komst, Tibor de Machula, De Wilde niet te vergeten, en Jan Bos, godheden waren dat. Het enige dat ik me herinner, was een van de eerste repetities met de Sacre, toen Van Beinum zei: “Nemen jullie maar een voorbeeld aan die jongen daar. Die heeft zich nog niet één keer vergist.” Later hadden Jan Straatmans en ik een weddenschap om vijfentwintig gulden met Van Beinum om te stoppen met roken. Aan het begin van een repetitie stond hij ineens te zwaaien met een vijfentwintigje, daarna kwam Jan Straatmans met vijfentwintig gulden. Van die vijftig gulden heb ik toen Noren gekocht – mijn zoon schaatst er nog op. En toen ben ik ook maar weer gaan roken. Als Van Beinum na een periode van gastdirigenten weer bij het orkest kwam, zei hij altijd: “Goddank, weer thuis.” Ik ben geen Bruckner-man, dus dat was niet zo aan mij besteed, maar Franse muziek met Van Beinum – La mer – herinner ik me als de dag van gisteren. Van Beinum was eigenlijk een manusje van alles. Hij kon alles. En ik was er natuurlijk bij toen hij stierf. Er was een repetitie op het tweede deel van de Eerste Brahms met die prachtige hobosolo. Van Beinum zei: “Haakon, doe me een plezier, je speelt het zo geweldig, speel het nog een keer voor mij.” Haakon speelde, een schreeuw… en hij was dood. Wij hebben niet beseft hoe erg het was. We gingen allemaal het podium af, behalve zijn zoon, die zat toen in het orkest. Ik heb de halve dag lopen janken.’

Werken met de groten

'Later, in de jaren tachtig, met Monteux, hebben we het weer gehad, precies hetzelfde: een schreeuw, en pats op de grond. Maar hij stond er ’s avonds weer. Van Beinum heb ik alleen zonder dirigeerstok meegemaakt. Maar Monteux, die had zó’n eind, een halve meter zowat. Hij sprak heel weinig, en dan nog heel gebrekkig, Engels. Klemperer was een belevenis, met die Beethoven-cyclus in de jaren zestig, een gekke vent, en ontzettende muzikant met die grote klauwen, en die bril waar hij overheen keek alsof hij je zo bij de strot wilde pakken. En dan die verhalen over hem. “Was spielen wir heute Abend?” zou hij de concertmeester eens gevraagd hebben. “Fünfte Beethoven.” [Met een zwaai imiteert Jan Labordus Klemperers inzet]: pam pam pam pám. En hij zat een keer te luisteren in de loge van het oude Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, toen Szell bij het Residentie-Orkest La mer dirigeerde. “En, hoe vond u La mer?” “Das war überhaupt kein La mer, das war Szell-am-See.” Hij was heel sterk in woordspelingen. Een unieke man. Ik heb trouwens met veel groten gewerkt: Szell, Monteux, Böhm, Ormandy, Sawallisch, Giulini en Rosbaud. Dat was ook een goede dirigent. Hij kwam na afloop altijd naar beneden, naar de oude stemkamer. Rosbaud was het, die eens een keer stond te huilen als een klein kind, dat het zo mooi was geweest. Dat was na een Mahler-symfonie. Een aardige man. Hij lachte altijd, en hij hield zijn koppie zo scheef. Met hem hebben we ook veel moderne muziek gedaan. Hij kwam er tenminste doorhéén, hij was zo vakkundig.’

Vorst, schaatsen en handen‘

Vorst – min vijf tot min tien graden - is een ramp voor een paukenist, en televisielampen die alle vochtigheid uit de lucht halen. Paukenvellen verstemmen door het aanwezige vocht. Met Mahler VII had ik eens problemen met Kubelík. Op de repetitie kon ik geen lage e krijgen, door de temperatuur. Kubelík wilde weten waarom niet. “Ik kan hem niet krijgen vanwege de vorst, maar vanavond hebt u hem.” Kubelík liep boos weg. Heuwekemeijer [de toenmalige directeur, red.] werd erbij gehaald en het bestuur. Of ik maar excuses wilde aanbieden. Kubelík had het gevoel dat ik hem in de maling nam. Met schaatsen ben ik trouwens vrij gauw gestopt. Ik kon goed schaatsen, maar ik was een keer gevallen en je moet in dit vak zó voorzichtig zijn op je handen. Als ik op straat een hond zag, stak ik mijn handen in mijn zakken. Als ik ’s avonds een concert had, kon ik overdag geen zware dingen doen, want dan had je ’s avonds van die sponsachtige vingers. Daar moet je mee leren leven. Maar verder… wat is er mooier dan van je hobby je vak te maken, geld te verdienen en de halve wereld te zien?’

Te hoog, te laag, te vroeg, te laat

Mensen Willem Mengelberg

‘De eerste keer dat ik het orkest hoorde, was een zondagochtendconcert onder Mengelberg, in 1940 of 1941. Ik mocht met mijn vader mee, maar ik herinner me er niets meer van. Van Mengelberg ken ik alleen verhalen, zoals van die hoornist die door Mengelberg te grazen werd genomen: “Meneer, u bent te hoog, te laag, te vroeg, te laat…” Het ging maar door, tot die hoornist op een gegeven moment opstond – het was een klein mannetje – en met de hoorn onder de arm zei: “Meneer Mengeleberg” – Mengeleberg, hè, niet Mengelberg – “de pokke.” Haitink was altijd fantastisch, die heb ik heel hoog. Mahler met hem was geweldig. Hij kende zijn zaakjes en vergiste zich zelden of nooit. Met hem had ik altijd een goed contact. Ik wist altijd wat hij bedoelde. Er zijn er maar weinig, die dat zo kunnen overbrengen. Doodzonde, dat hij weg is gegaan, maar we hebben een goeie teruggekregen met Chailly. Ook hij kent altijd alles, is altijd vriendelijk, fantastisch. Zijn Sacre – een lastig stuk – is als de bank. Behalve dat slotakkoord. Dat deed hij zo…’ en Jan zwaait beide handen losjes naar boven, in een gebaar van ´ga maar´ en vraagt zich af hoe ik dat zal omschrijven. ´Toen heb ik hem gezegd: “Daar kan ik niet op inzetten”, en dat heeft hij overgenomen. Het werd “pats” [handen recht naar beneden]. Om te zoenen werd dat slotakkoord.’

Truus de Leur        KCOurant juni 1997

Auteur
Truus de Leur
Details
Jan Labordus