Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Waar is de cello van Henk van Wezel gebleven?

Over de rand heen kijken

 

Mensen Henk van Wezel 1

 

Henk van Wezel werd in 1895 in Den Haag geboren. In 1923 kwam hij als cellist in het Concertgebouworkest, waar hij in 1936 Marix Loevensohn opvolgde als solocellist, welke functie hij tot aan zijn pensionering in 1955. Hij overleed in 1968 in Torremolinos.Verschillende malen trad hij als solist op met het Concertgebouworkest. In 1931 speelde hij onder leiding van Van Beinum de wereldpremière van het Eerste celloconcert van Henk Badings; zijn repertoire omvatte voorts celloconcerten van Boccherini, Dvořák, D’Albert, Guillaume Landré, Jan Koetsier, Fauré’s Élegie, de Symfonische variaties van Rudolf Mengelberg, Brahms’ Dubbelconcert en Beethovens Tripelconcert. Zijn meest gespeelde solo, Saint-Saëns’ Eerste celloconcert met zijn hoge ligging inspireerde Matthijs Vermeulen tot het schrijven van zijn Tweede cellosonate. Ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum speelde hij de solopartij in Strauss’ Don Quixote. Tot nu toe ontbrak

een foto van Henk van Wezel in de Portrettengalerij van de VGKCO, totdat zijn zoon de website bezocht, het portret van zijn vader miste en contact zocht met de VGKCO. Wij maakten een afspraak. Hij bracht een aantal bijzondere foto’s mee en vertelde mij zijn verhaal, en dat van zijn vader, de solocellist, en dat van zijn moeder Mary Ragetli, harpiste in het Concertgebouworkest.Henk van Wezel jr. vertoont grote gelijkenis met zijn vader, behalve dat hij slank van postuur is, terwijl senior een grote brede man was. Hij was een kind uit Van Wezels derde huwelijk. Kort na zijn geboorte overleed zijn moeder, waarna zijn vader hertrouwde met Mary Ragetli, van 1943 tot 1951 tweede harpiste in het Concertgebouworkest. Zij vervulde de moederrol in het leven van kleine Henk, ook wel ‘Henkemans’ genoemd, ter onderscheiding van grote Henk. Verwarring met de pianist Henkemans lag minder voor de hand, hoewel hij een geregelde gast was in huize Van Wezel. Mary Ragetli: een voortreffelijke musicienne met een groote integriteitMary Ragetli was geboren op 22 juli1916 in Zaandam. Haar ouders zagen erop toe dat Mary en haar zusje Annie, die later zangeres zou worden, een gedegen opvoeding kregen, waartoe ook muziek behoorde. Mary begon als negenjarige met pianoles, maar toen het gezin een harprecital van Rosa Spier had bezocht, was Mary vastbesloten om harpiste te worden. Zij kreeg les van Rosa Spier, toen soloharpiste van het Concertgebouworkest, en zette haar opleiding voort in Berlijn bij Max Saal. Zij speelde enige jaren in het orkest van Ludwigshafen totdat de oorlog uitbrak en ze terugkeerde naar Nederland. Toen het Concertgebouworkest op last van de nazi’s zijn joodse musici moest ontslaan, moest ook Rosa Spier haar functie opgeven. Tweede harpiste Phia Berghout weigerde haar plaats in te nemen. Uiteindelijk werd zij overgehaald om de eerste harppartijen te spelen totdat Rosa Spier na de oorlog haar plaats in het orkest weer zou innemen. Voor de tweede harpplaats werd een proefspel uitgeschreven, waaraan Mary Ragetli met succes deelnam. In het orkest was een rel ontstaan over het ontslag van de joodse musici. ‘Mijn vader had bezwaar aangetekend en ge dreigd met ontslag,’ aldus Henk van Wezel jr. ‘de dirigent of iemand van het bestuur had gezegd: dat is goed, gaat u maar. Toen is de cellogroep opgestaan en heeft gezegd: als Henk van Wezel gaat, gaan wij ook. Het ontslag is niet doorgegaan.’

Kort na haar aanstelling trouwde Mary met Henk van Wezel. Samen kregen zij een dochter, die op tienjarige leeftijd overleed aan de ziekte van Hodgkin. Om voor haar te kunnen zorgen had Mary ontslag genomen: zij kon het orkestbestaan inclusief tournees niet meer combineren met haar gezin inclusief de extra zorg voor haar dochtertje. Zij trad in dienst bij het Radio Filharmonisch Orkest, dat zelden of nooit op tournee ging. Van Beinum schreef haar een brief naar aanleiding van haar vertrek uit het Concertgebouworkest, waarin hij haar ‘een voortreffelijke musicienne met een groote integriteit, zoowel in haar werk als in haar omgang’ noemde. In 1974 werd zij wegens rugklachten vervroegd gepensioneerd. ‘Zij was een harde werker,’ schrijft Edward Witsenburg, die haar collega was bij het radio-orkest, en haar herdacht in een artikel van het Nederlands Harp Bulletin naar aanleiding van haar overlijden in 2006, ‘consciëntieus en plichtsgetrouw. Zij gaf nooit af op haar mede-musici.’ ‘Noch op haar vroegere echtgenoot,’ voegt Henk van Wezel jr. eraan toe, ‘ze zei alleen over hem: “je vader wil wel geholpen worden, maar zo dat hij dat niet in de gaten heeft.” Dat was muzikaal ook zo. Er moet een soort liefdesverhouding zijn met een man die weet waar het over gaat. Het gaat niet eens over het slaan, maar over de idee. Dan hoef je niks meer te doen, dan gaat het allemaal vanzelf. Dat had hij met Van Beinum. Mary was ook dol op Van Beinum, erg gecharmeerd van Bernard Haitink (die immers zijn loopbaan begon bij het Radio Filharmonisch Orkest, red.) en van Jean Fournet. Over Willem van Otterloo en Pierre Monteux was ze minder enthousiast. ‘Mary heeft een keer gesoleerd,’ zo herinnert Henk jr. zich, ‘bij het Residentie Orkest in een stuk van Frank Martin, voor dubbel strijkorkest, harp, piano en klavecimbel, dat alles in het Concertgebouw onder leiding van Willem van Otterloo. Mary hield er niet van om op de voorgrond te treden. Als het moest, dan moest het, maar ze zocht niet de roem, zoals mijn vader. Toch heeft ze ook nog het Concert voor fluit en harp van Mozart gespeeld, met Adriaan Bonsel. Mijn moeder speelde echt mooi, ze had een strakke discipline: er werd altijd van zo tot zo laat gestudeerd. Ik kan de toonladders nog nazingen, en de manier waarop dat allemaal ging.’Grote zeggingskrachtZijn vader heeft Henk van Wezel jr. nauwelijks gekend: ‘Ik ben maar één keer met vakantie geweest naar mijn vader in Spanje, in 1966, twee jaar voordat hij overleed. Ik was achttien.

Mensen Henk van Wezel 2

Mijn biologische moeder heb ik helemaal niet gekend. Zij overleed kort na mijn geboorte, 33 jaar oud. Ze scheelde bijna twintig jaar met mijn vader. Toen trouwde mijn vader met Mary Ragetli. Zij is degene die ik mijn moeder noem en zij heeft kosten noch moeite gespaard om mij op te voeden. Uit haar huwelijk met Henk werd een dochtertje geboren, dat overleed toen ze tien jaar was. Mijn vader was toen allang weer weg. Hij was impulsief,’ zegt zijn zoon nu over hem, ‘en deed wat in hem opkwam zonder zich om consequenties te bekommeren.’ ‘Ik kan me wel herinneren dat hij ontzettend mooi speelde. Hij had een studeerkamer met een heel grote studeerspiegel om zijn houding te corrigeren. Hij speelde alles zonder vibrato. Ik vond het vreselijk, maar hij zei: “Het moet eerst kaal helemaal in orde zijn, en dan gaan we het versieren, niet andersom.” Als musicus had hij een grote zeggingskracht; hij schrok niet terug voor technische hoogstandjes. Zijn voorliefde ging uit naar romantische muziek, Mendelssohn vooral, Bruckner, Wagner, ‘bij Mahler hield hij het niet droog,’ zegt Henk jr. Maar ook met moderne muziek had hij geen moeite; van Henk Badings is een brief bewaard gebleven waarin hij de loftrompet stak over Van Wezels uitvoering van zijn Eerste celloconcert. ‘Mijn vader bezat een mooie Guarneri, die Mary’s ouders voor hem gekocht hadden, en een regiment stokken, maar waar die gebleven zijn…?’ De jonge Van Wezel weet het niet, zoals hij veel niet weet over zijn vader. ‘Hij zat wel in het Concertgebouw-trio,’ herinnert hij zich, ‘met de violist Jan Keessen en de pianist Gerard Hengeveld,’ en uit de schaarse papieren die hij over het leven van zijn vader in handen heeft gekregen, diept hij een contract op met NIWIN (Nationale Welzijnsverzorging Indië) en het Concertgebouw-trio voor een tournee van twee maanden in februari en maart 1948. Het overeengekomen honorarium is 1000 gulden. Van Wezel had ook een trio met Ferdinand Hellman en Henriëtte Bosmans. Hun samenwerking in een uitvoering van Beethovens Tripelconcert met het Concertgebouworkest was zo goed bevallen, dat zij die voortzetten als kamermuziekensemble. Zij traden vaak in het buitenland op onder de naam Hollandsch Trio. Als Bosmans zich terugtrekt, gaat het trio verder met George van Renesse. Volgens Henk jr. was doofheid een van de redenen voor Van Wezels vroegtijdige vertrek uit het orkest. De artsen hadden hem aangeraden om in de subtropen te gaan wonen om te voorkomen dat het erger werd. Daarom is hij naar Torremolinos verhuisd. Henk jr. laat een mooie foto van zijn vader zien: ‘Dit was volgens mij de foto waarvan een portret geschilderd zou worden, dat in de Solistenfoyer zou komen te hangen. Dat is niet doorgegaan, omdat mijn vader het kennelijk om een of andere reden bij de NV had verbruid. Hij kan een moeilijk mens zijn geweest, maar iemand die twintig jaar solocellist was, kan niet in de vergetelheid worden gestort alleen maar omdat hij stout is geweest naar toenmalige maatstaven. Hij was een musicus. Uiteindelijk is hij in Málaga begraven. Er was een negatieve erfenis van 28 duizend gulden, die ik helaas heb moeten weigeren. Ik weet dat mijn vader een heleboel zelfgecomponeerde cadensen van celloconcerten had.’‘Over de rand heen kijken’‘Vader was een gezelligheidsdier,’ Henk jr. geeft een beeld van zijn vaders karakter, ‘al gauw kwam de wijn tevoorschijn. Toen de dokter had gezegd, dat hij moest ophouden met roken, zei mijn vader: geen probleem, dan rook ik sigaren.

Mensen Henk van Wezel Mengelberg

 

 

 

Mijn vader was een flinke innemer. Een beetje een dagdromer, erg gevoelig voor succes… een groot kind, ik kan niet anders zeggen. Speels, maar ze moesten hem niet in het gareel duwen. Ik heb mijn vader verafgood en hij mij, maar dan kom je er op een gegeven moment achter dat hij een deel van het huisraad had verpatst om aan drank te komen. Ik weet ook niet of mijn vader intieme vrienden had, ik denk het niet, hij was een Einzelgänger, maar een briljant musicus. Over bepaalde stukken zei hij: “je moet daarin knielen”, dan moet je alles geven wat je hebt. Vader was gepassioneerd, hij liet zich ergens in vallen en zag wel wat ervan kwam. “Jij bent een randfiguur,” zeiden ze ooit tegen hem, en dan zei mijn vader: “ze vergeten dat randfiguren iets kunnen dat andere mensen niet kunnen: over de rand heen kijken.”‘Vader had moeite met dirigenten die zijn muzikale stroom onderbraken. Met Van Beinum was hij heel goed bevriend, dan voelde het niet als een onderbreking, zei hij altijd. Die stroom ging door, er werd een beetje getikt hier en een beetje getikt daar, in plaats van zó (maakt een afkappende beweging), daar kon hij slecht tegen. Dan kwam hij in opstand. Er moest een stroom zijn en als die er niet was, dan speelde hij wel, maar met zo’n verveeld gezicht van wat doe ik hier. Dat kon je ook horen. Het was er wel, maar kaal. Hij was een hemelbestormer op de een of andere manier, een ongeleid projectiel en je moest van goeden huize zijn om zulkemuzikanten leiden… dat is wat Mary zei.’

Truus de Leur    KCOurant  februari 2012

Auteur
Truus de Leur
Details
Henk van Wezel