Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Het orkestrale bestaan van Niels Le Large

Alle veranderingen zijn op het podium begonnen

Niels Le Large (slagwerk)Hij draagt het beeld uit van een selfmade man, dat is hij ook. Eigenzinnig, initiatiefrijk en niet te beroerd om zaken aan te pakken: Niels Le Large, tot zijn pensionering in 2002 slagwerker in het Koninklijk Concertgebouworkest. Hij kijkt terug: ‘Het begon in het Noordhollands Philharmonisch Orkest, eind jaren vijftig. Ik was koud achttien. Daarna militaire dienst, anderhalf jaar nog in die tijd. Die heb ik ook musicerend doorgebracht, een doorstart dus als slagwerker in het Trompetterkorps van de cavalerie. Vervolgens vier jaar Utrechts Symfonie Orkest. Toen kwam het Concertgebouworkest in zicht. Daar heb ik in 1967 proefgespeeld en werd aangenomen. Ik bleef er tot mijn vervroegd pensioen.’

‘De Mengelberg-Van Beinum-generatie taaide af’

Toen ik in 1967 eenmaal in het beroemde Concertgebouworkest zat, bleek die periode vergelijkbaar te zijn met wat we de afgelopen tien jaar hebben meegemaakt; de Mengelberg-Van Beinum-generatie taaide af, het orkest was in een overgangsfase. Zo halverwege de jaren zeventig stond het weer als een hechte eenheid op de rails. Begin jaren tachtig, op een tournee door de Verenigde Staten, noemde een van de kranten ons het beste orkest van de wereld. Toen al heb ik dat met een korreltje zout genomen.’

‘Als je wilt dat er iets verandert, dan moet je het zelf doen’

‘De slagwerkgroep bestond uit de twee paukenisten, Jan Labordus en Jan Straatmans, verder Gerard Smeekes en Ruud van den Brink, ik ben voor Tom van Dijk gekomen. In die tijd werd het slagwerk tot belangrijkste instrumentarium van de 20ste eeuw verklaard door Boulez. Het pakket eisen werd enorm uitgebreid.’

Al gauw achtte Niels de tijd gekomen om zich ook bestuurlijk met het orkest te bemoeien: ‘Van 1970-1973 zat ik in het Verenigingsbestuur (onder voorzitterschap van Kees Blokker, red.), ik heb zelfs nog deel uitgemaakt van het Stichtingsbestuur. Alle wezenlijke veranderingen die er bij het Concertgebouworkest hebben plaatsgevonden, zijn er altijd gekomen doordat het orkest zelf er zich mee ging bemoeien. Dat adagium heb ik altijd meegedragen: als je wilt dat er iets verandert, dan moet je het zelf doen. Niet in je eentje, dat lukt niet, maar je moet draagvlak zien te vinden. Vanaf midden jaren tachtig heb ik vrij lang in de Artistieke Commissie gezeten. Vlak nadat de toenmalige artistiek leider Marius Flothuis was weggegaan, hebben we bepaald, dat de Artistieke Commissie moest bestaan uit orkestleden, die werden gekozen. De directeur, de chef-dirigent en de Artistieke Commissie vormen de trojka, die het moet doen.
Als AC-lid heb ik de omslag van Haitink naar Chailly meegemaakt. Hectisch, maar avontuurlijk. De jaren 1984-1988, totdat Bernard wegging, werden steeds grimmiger: Stichtingsbestuur in paniek, directie overhoop. Toen kwam Chailly. Voor mij was dat alsof er een raam openging.’

Het Rembrandt-Picasso-plan *)

Niels Le Large‘Begin jaren tachtig wilde Bernard niets meer te maken hebben met de C-serie: loodzware programma’s en minimale belangstelling. In de programmering van Hein van Royen (artistiek directeur van 1974-1991, red.) moest alles kunnen, “dan zal er eens iemand weglopen,” zei Hein dan. Zo’n drie of vier premières op een middag: dat konden de musici al niet aan, laat staan het publiek. Toen zijn we met een man of twaalf bij elkaar gekomen, Joep Terwey, onze toenmalige solofagottist, had een plan ontwikkeld en in detail op papier gezet. Het ging om een idiomatische indeling in twee series: de Picasso-serie voor de 20ste-eeuwse muziek en de Rembrandt-serie voor de grote oude meesters. Daarbij wilden we grote dirigenten hebben, want daar ontbrak het nog wel eens aan in de C-serie, er werden altijd specialisten gevraagd.'

'Hein van Royen vond dat helemaal niks. Toen hebben Joep en ik als de stuwende krachten achter dat plan een enquête gehouden onder de orkestleden. De respons was enorm. Inmiddels ging Bernard weg, en kwam Riccardo Chailly. Zodra hij hier benoemd was, hebben we hem het hele plan voorgelegd. Die Picasso-formule was hem op het lijf geschreven. Hij maakte nog een grapje: “Ik dirigeer hier alleen maar Picasso-programma’s!” Hij heeft de C-serie op een Picasso-achtige manier ingevuld. Je zag de zaal opbloeien. De extra publiciteit, een chef-dirigent, die zich daar helemaal voor inzet… dat kweekt enthousiasme. Toen overleed Hein van Royen en hebben we jaren van instabiliteit gehad. Eind jaren negentig werd definitief besloten om de C-serie op te geven en over te gaan naar de Rembrandt-Picasso-formule. Dat werd keurig netjes A- en B-serie genoemd en daar werken we nu nog steeds mee. Op dat moment was het de juiste formule om het speelplezier van het 20ste-eeuwse repertoire op de rails te krijgen. Dat is geslaagd, met Chailly.’

Redacteur van Preludium, initiatiefnemer van de KCOurant

‘In 2002 ben ik met vervroegd pensioen gegaan, omdat ik veertig pensioenjaren had en al jaren rondliep met het idee om fulltime te gaan schrijven. Bovendien gingen twee van mijn naaste collega’s weg. Schrijven heb ik mijn hele leven al gedaan. Door min of meer toevallige omstandigheden was ik in de Preludium-redactie gekomen, waar ik 25 jaar ben gebleven. Vervolgens de KCOurant. Als eerste kwam Henriëtte Luytjes met het idee om een eigen blad te maken. Toen meer mensen daarover bleken te denken, ben ik naar Sjoerd van den Berg gegaan met het idee om een intern bedrijfsblad te maken, waarin het bestaande Stichtingsnieuws en Het bulletin samengingen. Hij zei ja. Dat heb ik ook een jaar of tien gedaan. Tot mijn pensioen.’

Academie

We noemen nog een instelling, waarmee Niels’ naam verbonden is: de Academie van het KCO:
‘De Academie kwam voort uit klachten in het orkest, vooral bij de strijkers, dat er zo veel remplaçanten waren. Er zijn nu vier violisten meer, toen niet en ze vielen bij bosjes. Niels Le LargeVaak kwam er iemand naar de Artistieke Commissie: “Wie zit er nu weer naast me?” Toen heeft Chailly tijdens een vergadering van het Artistiek Beraad gezegd: “Waarom beginnen jullie niet een academie, net als in Berlijn? En in Milaan? Je laat ze proefspelen voor de Academie, dan zijn ze goed genoeg om ook in het orkest mee te spelen.” Op voorstel van Jan Kouwenhoven, voorzitter van de Vereniging en initiatiefnemer, zijn we toen klein begonnen. Het heeft nog heel lang doorgesudderd, want er moest geld voor komen. Op een gegeven moment had Jan een substantieel bedrag toegezegd gekregen van een gulle geefster.'

Ik had staqtuten opgevraagd in Berlijn, van Chailly had ik een papiertje gekregen, waarop stond hoe dat in Milaan ging, en Joel [Ethan Fried, adjunctdirecteur Artistieke zaken, red.] heeft materiaal uit Amerika over laten komen. Uiteindelijk bleek de structuur van de academie van de Berliner Philharmoniker het beste te passen bij de Amsterdamse situatie. Toen heb ik de doelstellingen op papier gezet en statuten gemaakt.
Op een gegeven moment ben ik overigens gebeld door een conservatoriumdirecteur, die vroeg of we soms de taak van het conservatorium wilden overnemen. Ik heb hem gezegd, dat bij ons orkest, en niet alleen ons orkest, met verbazing werd gekeken naar de naïveteit waarmee conservatoriumstudenten komen proefspelen: “Wij gaan geen conservatorium beginnen, maar wat wij gaan doen, doen jullie in ieder geval niet,” zei ik. Een jaar of twee, drie ben ik coördinator van de Academie geweest. Maar ik vond dat de coördinator op het podium moest zitten, toen heeft Sharon St.Onge het overgenomen. Je verleent er misschien een vriendendienst mee aan andere orkesten, maar je helpt wel de basis te leggen voor een beter aanbod in de toekomst. Het zou mooi zijn als die Academie zou kunnen uitgroeien tot een breed educatief instituut. Er zijn ook heel talentvolle jonge muzikanten, die tussen muziekschool en conservatorium hangen, waar weinig gestructureerde opvang voor is. Daar zou het Concertgebouworkest ook iets voor kunnen doen. Het orkest heeft nog nooit zo goed gespeeld – je valt van de ene verbazing in de andere,’ zo besluit Niels, ‘maar nu moet je de basis leggen voor het succes over tien jaar. Ik ben ervan overtuigd dat een instituut als het Concertgebouworkest, waarvan de maatschappelijke culturele voorbeeldfunctie inmiddels algemeen wordt erkend, zich niet meer alleen maar kan bezighouden met het organiseren van concerten. Je zou een breder, algemeen kunstzinnig muziekinstituut moeten worden. Het Chicago Symphony bijvoorbeeld heeft een enorme educatieve afdeling.
Als de conservatoria het laten afweten op orkestraal gebied,dan is het misschien een idee om aan te kloppen bij de Minister van Onderwijs om te laten weten, dat wij inmiddels een bredere en op vakgebied educatieve taak hebben gekregen. Eigenlijk kom je daarmee terug opwaar we mee begonnen zijn: als je wilt dat er iets verandert, dan moet de aanzet van het podium komen.’

Vgkco

Ten slotte spreken we ook met de voorzitter van de Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest:
‘In 2004 kwam er een groepje bij elkaar, Henk Guldemond, Nardie Blanket, Gerard Schoonenberg en ik. Carlo Ravelli is een jaar later in het bestuur gekomen. Daar werd gesproken over de mogelijkheid om het contact tussen oud-orkest- en –stafleden en het huidige orkest te onderhouden. Je kunt natuurlijk best elk jaar café-restaurant Solo afhuren, maar je zou je misschien ook kunnen bezighouden met de belangen van oudleden, wat die ook mogen zijn. Door de bemiddeling van Sjoerd van den Berg en door de voorbeeldige inzet van Marian van den Beuken hebben we alle gepensioneerden en nabestaanden van gepensioneerden, weduwen en weduwnaars, kunnen aanschrijven. De belangstelling was groot en we hebben een vereniging opgericht. We organiseren onder meer ieder jaar een oudjaarsborrel en een concert waar we de jongste generatie van het orkest vragen om te spelen. Tijdens de laatste oudjaarsborrel bestond het traditionele “evenement” uit een optreden van vier jonge kinderen, onder wie Georg Jaspers en Ephrem Cortvrint, die een strijkkwartet van Franz Xaver Richter speelden. Ook het allerjongste talent komt aan bod!
De Vereniging VGKCO voorziet in een behoefte,’ stelt Niels tevreden vast, ‘en de samenwerking met het orkest is erg goed.’

Oproep tot waakzaamheid

‘Terugkijkend kan ik zeggen dat je ook in je beroepsleven tegenwind en onaangename omstandigheden tegenkomt, maar voor mij overheerst het positieve veruit. Ik vind het orkest beter dan ooit tevoren, maar ik maak me over één ding zorgen: de Franse muziek in het repertoire dreigt nonexistent te worden. De afgelopen jaren zijn alleen maar een paar highlights van Ravel en Debussy gespeeld. Het orkest heeft zich in het verleden juist geprofileerd als een orkest dat niet alleen Duitse en Oostenrijkse muziek kon spelen, maar vooral Franse muziek, en beter dan de Franse orkesten. Als dit langere tijd doorgaat, dan raken we dat idioom kwijt. Of dat erg is, moet iedereen voor zich maar bepalen, maar het zou wel een verschraling betekenen. Ik roep op tot waakzaamheid. De Franse muziek, en zeker de Franse muziek van de eerste helft van de 20ste eeuw, is van zo groot belang geweest voor de muziekgeschiedenis, dat we ons niet kunnen veroorloven om die muzikale bekwaamheid kwijt te raken.’

*) De Picasso-concerten moesten bestaan uit tenminste één modern werk, een opdrachtwerk of een première voor het orkest, dan kon er nog een mooi stuk bij, gaarne ook een grote solist af en toe, en dan als blockbuster, als echte publiekstrekker, één van de erkende meesterwerken uit de 20ste eeuw. Natuurlijk kom je dan op de Sacre, maar ook het hele repertoire van Bartók kwam daarvoor in aanmerking, Ravel, Debussy, Prokofjev enz. Als een dirigent niet één, maar twee weken bleef, dan kon hij eerst een Rembrandt-programma dirigeren en de week daarop een Picasso-programma. Ten slotte was er de mogelijkheid om aan het eind van die tweeweekse periode een derde programma samen te stellen uit beide voorgaande programma’s, waarin alles met alles gecombineerd kon worden. Het plan was toegesneden op de bestaande concertindeling van het orkest.

Truus de Leur

Artikelen en informatie van en over Niels Le Large vindt u op www.sympag.nl


Kcourant - februari 2009

Auteur
Truus de Leur
Details
Niels Le Large