Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Kirill Kondrasjin (6 maart 1914 - 7 maart 1981)

Een dwingende dirigent

Kyrill KondrashinOp 7 maart 1981 overleed de Russische dirigent Kirill Kondrasjin in Amsterdam. In 1968 stond hij voor het eerst voor het Concertgebouworkest en van 1978 tot zijn overlijden in 1981 was hij vaste dirigent naast Bernard Haitink. Aan de hand van herinneringen van mensen die hem gekend hebben of met hem hebben gewerkt, wordt hier een beeld gegeven van deze uitzonderlijke orkestleider. Aan het woord komen de orkestleden Saskia van Bergen-Boon, Werner Herbers, Wim van Keulen, Jan Kouwenhoven, Edith Neuman, George Pieterson, Brian Pollard en Adriaan van Woudenberg, alsmede concertmeester Theo Olof. Bijzondere bijdragen leverden Nolda Broekstra, Kondrasjins levensgezellin gedurende zijn laatste jaren in het Westen, en zijn oudste zoon Pjotr Kondrasjin, klankregisseur bij de Russische grammofoonmaatschappij Melodia. Deze was in Nederland om het optreden mee te maken van zijn zoon, en Kirills kleinzoon, Pjotr, die onder meer met steun van de Kirill Kondrasjin Stichting zijn debuut kon maken als cellist in de Kleine Zaal tijdens een concert van Holland Music Sessions. Het interview met Pjotr Kondrasjin, die alleen Russisch spreekt, was mogelijk door tussenkomst van Nolda Broekstra, die bereid was om als tolk op te treden.

‘Een van de bijzondere dingen van mijn vader,’ zo begint Pjotr Kondrasjin zijn verhaal, ‘was dat hij meteen directie studeerde. Hij had wel piano leren spelen, maar aan het conservatorium begon hij meteen als directieleerling van Boris Chaikin. Daarna heeft hij korte tijd aan het operatheater Nemirovitsj-Dantsjenko gewerkt en in 1938 vertrok hij naar Leningrad waar hij tot 1943 aan het Maly-theater was verbonden. In de oorlog werd hij met het Leningradse theater geëvacueerd. Op voorspraak van Sjostakovitsj kreeg hij in 1943 een baan bij het Bolsjoi-theater in Moskou, waar hij een jaar of tien heeft gewerkt. In die tijd heeft hij onnoemelijk veel opera gedirigeerd en enkele beroemde producties in première gebracht, waar men nu nog over praat: Snegoerotsjka van Rimsky-Korsakov, Roeslan en Loedmila van Glinka en De verkochte bruid van Smetana. Hij nam vrijwillig ontslag en was toen twee jaar zonder werk.

Pjotr KondrashinElke musicus houdt ervan om te werken zoals zijn hart en zijn talent hem ingeven,’ aldus Pjotr Kondrasjin, ‘maar bij het operatheater is het niet alleen de dirigent die het verloop van de uitvoering bepaalt. Daarom richtte hij zich op het symfonische repertoire. In 1956 werd hij bij het Moskous Filharmonisch Orkest benoemd.’
In 1958, midden in de Koude Oorlog tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, won de Amerikaanse pianist Van Cliburn het eerste Tsjaikovsky-concours in Moskou. Kondrasjin en het Moskous Filharmonisch Orkest begeleidden hem. Van Cliburn werd in Amerika ingehaald als een held. Het Moskouse orkest werd als eerste Sovjet-orkest uitgenodigd om het succes in de Verenigde Staten te komen herhalen; Kondrasjin was de eerste Russische dirigent die op het Witte Huis werd ontvangen. Voor de culturele uitwisseling tussen de toenmalige Sovjet-Unie en het Westen was dit een triomf. De geluidsopname van het concours met Van Cliburn is nog steeds verkrijgbaar.

Tot 1974 bleef Kondrasjin bij het Moskous Filharmonisch Orkest. ‘Hij heeft het tot grote hoogte gebracht en internationale faam gegeven. Tot op de dag van vandaag, dertig jaar later, kom ik musici tegen, die me zeggen: wat was dat toch een fantastisch orkest. Hij heeft heel veel nieuwe Russische muziek gedirigeerd van onder anderen Sjostakovitsj, Sjtsjedrin, Wainberg en Sviridov. In materieel opzicht kon hij helaas niet veel voor het orkest doen. Dat was de reden waarom de musici genoeg van hem kregen. In 1974 werd hij, zestig jaar oud, gepensioneerd. Hij mocht nog wel gastdirecties doen, maar Gosconcert, het Russische staatsimpresariaat, stuurde hem ook naar tweede- en derderangsorkesten. Buitenlandse reizen waren wel toegestaan en op 3 december 1978 keerde hij na zijn concerten in Amsterdam niet meer terug in Rusland.

Pjotr Kondrasjin geeft een indruk van zijn vaders persoonlijkheid: ‘’Mijn vader had een echt dirigentenkarakter. Het geheim, de magie van een echte dirigent is, dat je naar hem móet kijken. Een muzikant, die tijdens een concert kickste, kreeg een korte blik van mijn vader en kroop het liefste onder de grond. Als musicus ervoer ik hem pas echt als een groot dirigent, toen ik zijn opnamen hoorde uit het Westen. Wat hij in Moskou deed, was traditoneler. Mijn vader had de buitengewone gave om over muziek te praten in heel levendige beelden. Om de musici bijvoorbeeld subito piano te laten spelen, vertelde hij: je loopt een donkere trap af en opeens ontbreekt er een tree. Bij het Scherzo van de Achtste symfonie van Sjostakovitsj zei hij: dat is een tank met rupsbanden die over iets onbestemds heenrijdt.’ En tot slot: ‘Mijn vader was een musicus die heel erg overtuigd was van zijn eigen gelijk, en dat wat hij wilde, juist was.’

‘Voor een buitenlandse tournee,’ zo vervolgt Kondrasjins zoon, ‘had je een doktersverklaring nodig. Toen hij voorgoed naar het Westen ging, was hij 64. In de Sovjet-Unie bestond zijn toekomst uit een staatspensioen en een docentschap aan het conservatorium in Moskou.’ Nolda Broekstra vult aan: ‘Naar het buitenland mocht hij ten slotte ook niet meer. Bij zijn laatste verzoek voor een buitenlandse reis zei men hem: u bent te oud. Toen zei Kirill: maar wat kan het u schelen waar ik doodga? Toen was het antwoord: weet u wel hoe duur het is om een lijk naar Rusland te vervoeren? De dokter zei: ik zal voor deze keer nog een handtekening zetten, neem dan voor mij een bontjas mee. Goed, zei Kirill en kreeg zijn doktersverklaring. De dokter heeft zijn bontjas nooit gekregen.

‘Na de oorlog was muziek in de Sovjet-Unie,’ aldus Pjotr Kondrasjin, ‘eigenlijk helemaal niet meer in tel. Nummer één op de culturele lijst was het theater, en dan misschien nog schilderkunst, alles volgens de regels van de overheid. Tekenend voor de veranderde situatie was, dat toen mijn vader deelnam aan een dirigentenconcours in de jaren dertig – ik weet niet meer of hij de eerste of de tweede prijs kreeg -, hij een heel dik album vol had met alle recensies die erover waren geschreven. Bij zo’n zelfde concours na de oorlog, waar de zoon van Sjostakovitsj won, was er maar één recensie. Cultuur werd niet meer gestimuleerd. Mijn vader heeft mij ook wel eens verteld dat ze zeiden, als hij Sjostakovitsj wilde spelen: ben je nou helemaal gek, ons volk is daar nog helemaal niet rijp voor, niet eens voor Tsjaikovsky, Sjostakovitsj mag je niet spelen.’

Mr. Pianissimo

Theo OlofTheo Olof: ‘Kondrasjin bleef streven naar helderheid en doorzichtigheid. Daarbij bleef hij de rust zelve, hij verhief eigenlijk nooit zijn stem, wat er ook gebeurde. Als het niet naar zijn zin was, zei hij: nog een keer, en nog een keer, tot het lukte. Daar had ik geweldige bewondering voor. Hij wist precies hoe het moest klinken en ook als het heel moeilijk of bijna onmogelijk leek, hield hij vol en op den duur klonk het ook zo. Het bereiken van pianissimo was, om zo te zeggen, een van zijn hobby’s. Dat is voor elke orkest het moeilijkste van alles. Bij hem lukte dat op een manier zoals het bij mijn weten bij geen andere dirigent lukte. We hebben pianissimi gehad, die vergeet je je hele leven niet meer. Hij was een fantastische dirigent.’

George PietersonGeorge Pieterson: ‘Als je niet deed wat hij zei, dan had je een probleem, vooral op dynamisch gebied. In Nederland waren we dat helemaal niet gewend. Als hij weer terugkwam bij het orkest, hoorde je onmiddellijk dat het anders klonk, doorzichtig, en met grote verschillen, alsof je kamermuziek speelde.’ George herinnert zich ook dat op een gegeven moment de Tweede symfonie van Rachmaninoff werd gerepeteerd, met een belangrijke klarinetsolo. ‘Ik ben van tevoren naar hem toegegaan. Hij onmiddellijk aan de piano, hij heeft een half uur met mij gewerkt nee, hier moet je ademhalen, daar niet… Op de eerste repetitie was er geen enkel probleem.’
Ook de Rapsodie van Debussy heeft George met hem gedaan: ‘Dat vond ik moeilijker. Hij had daar ook weer heel duidelijke ideeën over, en ik speelde het mijn hele leven al als solist. Dat ging soms tegen elkaar in, maar zo’n conflict ging hij ook nooit uit de weg. Als je goede argumenten had, kwam het wel in orde, maar in het begin lagen we soms hele maten uit elkaar. In het geval van Debussy heb ik hem kunnen overtuigen, gelukkig. Het was voor mij een openbaring: iemand die het orkest zo helder kon laten klinken. Dat was nieuw voor mij.’

Humor

GP – ‘Hij had ook een heel speciaal soort humor. In de Suite Bolt van Sjostakovitsj bijvoorbeeld zit een trompetsolo. Willem Groot speelde die, en het moest klinken alsof er iets onder je schoen zat. Nou, dat kon je aan Willem wel overlaten, die speelde dat echt zo van de straat. Iedere keer als dat stukje kwam, ging Kondrasjin uit zijn dak, dat vond hij heerlijk.’

TO – ‘Eén van de weinige keren dat ik hem wat informeler heb meegemaakt, was in Mexico in 1980, toen we met zijn allen ergens aten. Hij kwam los en vertelde wat hij in de Sovjet-Unie had meegemaakt. Hij zat bij de tanks. In de oorlogswinter van 1943 was het ijzig koud en ze hadden niets te drinken. Hij vertelde dat ze zelfs de benzine van die tanks hebben gedronken. Ik herinner me ook een feest in Krasnapolsky ter ere van Haitinks vijftigste verjaardag. Alle musici, ook Kondrasjin, bespeelden in het feestorkest een ander instrument dan normaal. Ik herinner me dat hij achteraan stond, naast mij, met bekkens en sambaballen, ik had een triangel. Hij speelde met zeer veel overtuiging.’

Saskia van Bergen-BoonSaskia van Bergen-Boon speelde bij die gelegenheid altsaxofoon: ‘Het was op Kondrasjins verjaardag, 6 maart 1979, dat we dat feestje in Krasnapolsky hadden. Na afloop hebben beide dirigenten viskommen gekregen met twee vissen erin, want Haitink was op 4 maart en Kondrasjin op 6 maart jarig.




 

Hoogtepunten

GP – ‘Sjeherazade, dat leek wel een sprookjestuin. Ik heb toen zelf niet meegespeeld, tijdens de reis naar Mexico zat ik in de zaal. Fantastisch. Met heel weinig woorden kon hij een sfeer creëren. En die ogen van Kirill, hij had heel intense grote ogen, die zie ik nog wel eens in mijn dromen.’ Van Sjeherazade werd een grammofoonopname gemaakt, Kondrasjins enige officiële opname met het Concertgebouworkest; Herman Krebbers speelde de vioolsolo.

Ook Petroesjka behoorde tot de hoogtepunten. Edith Neuman weet waarom: ‘Op een dag zat hij als kind in de loge en zag Petroesjka. Hij moest verschrikkelijk huilen bij Petroesjka’s dood. Een van de dansers kwam naar hem toe en zei: je denkt toch niet echt…, het is maar een schaduw. Maar hij was helemaal overstuur. Dat was een verschrikkelijke schok in zijn leven. Ik denk dat zijn hele ideeënwereld door het zien van al dat theater om zich heen, vanuit het theater kwam. Zijn verbeeldingskracht was enorm groot.’

Zijn uitvoering van Petroesjka bezorgde hem ook een compliment van Stravinsky, waar hij erg trots op was, aldus Nolda Broekstra: ‘Stravinsky was getroffen door Kondrasjins enorme gevoel voor generaalpauzes in het muzikale verloop. Hij laste er meer in dan in de partituur stonden aangegeven, maar Stravinsky had gezegd: jij bent de enige die het begrijpt.’

Persoonlijkheid

TO – ‘Als persoon, als karakter, was hij gesloten. Maar als dat doorbroken werd, kwam er een ontzettend warme figuur naar voren. Dat herinner ik me van die Mexicaanse reis.’

NB – ‘Dat was voor het eerst dat Kirill zich durfde te laten zien. Hij had wat je noemt een Sovjet-complex. In Nederland zag hij voor het eerst dat mensen wel te vertrouwen waren. In de Sovjet-Unie vertrouwde hij niemand, zelfs niet binnen zijn gezin. Wat hij het allerergste vond, was dat hij werd afgeschilderd als een trouw partijlid. Dat was hij allerminst. Samen met David Oistrach was hij er op zijn twintigste ingetuind, als idealist voor een nieuwe wereld. Dat bleek één grote leugen te zijn. In 1968, bij de inval in Tsjechoslowakije, kreeg hij een hartaanval, omdat hij Tsjechoslowakije kende als een land dat naar de geest vrij wilde zijn, de Praagse lente. Hij zei: ik was medeverantwoordelijk, want ik was partijlid, maar ik kon er niet meer uit. Ik had mijn partijboekje terug kunnen brengen, maar dan zou ik naar Siberië verbannen worden, of ik zou nooit meer mogen dirigeren. Dat kon ik niet opbrengen. Ik had een gezin te onderhouden. De moed om dissident te worden, had ik niet. Maar voor hem was in 1968 de maat vol. Dat was net de tijd dat hij voor het eerst bij het Concertgebouworkest kwam. Bovendien werd hij in feite geknecht en vernederd. Het kwam voor dat hij op de dag, dat hij in Amsterdam moest zijn, zijn visum nog niet had. ’s Morgens om acht uur moest hij in de rij gaan staan voor hij naar het vliegtuig kon en tot het laatste moment wist hij niet of hij het kreeg.’

Zet me gevangen

Nolda Broekstra was zijn steun en toeverlaat bij het beslissende moment van zijn asielaanvraag. Zij had hem als medewerkster van Hans Kerkhoff bij de VARA in 1968 leren kennen. Het eerste concert in haar nieuwe baan was het optreden onder het Moskous Filharmonisch Orkest onder leiding van Kondrasjin geweest. Op vrijdag dirigeerde hij Petroesjka, en op zondag de Eerste Mahler in het Concertgebouw. Drie jaar later werd Kondrasjin uitgenodigd als docent bij de dirigentencursus van de NOS, om het 25-jarig bestaan van de cursus luister bij te zetten. Nolda was zijn tolk. Later zou deze cursus worden voortgezet in de vorm van het Kondrasjin Concours.

Kirill Kondrasjin met Nolda BroekstraOver zijn asielaanvraag in 1978 vertelt zij: ‘Zaterdagavond 2 december hadden jullie een concert in Den Haag. 3 december ’s ochtends om half negen ging mijn telefoon, het was Kirill. Hij vroeg mij om naar hem toe te komen en we spraken af bij het Van Gogh Museum. Hij zei dat hij niet terug wilde. Toen heb ik de toenmalige voorzitter van de NOS, Piet Heuwekemeijer, gebeld. Ik zei: Ik heb hier iemand bij me, die een beslissing heeft genomen. Hij zei: Waar heb je het over? Ik zei: Degene die – want ik wist niet of de telefoon werd afgeluisterd, je wordt er zelf ook paranoïde van – de cursus geleid heeft. Toen zei hij: O, mijn god, kom maar onmiddellijk.

Wij zijn op zondagochtend naar Heuwekemeijer gegaan. Daar zei Kirill: Breng mij naar het politiebureau. Ik wil ook dat ze me in een cel vasthouden, want ik weet hoe het gaat, binnen een uur staat de KGB hier. Dan word ik ontvoerd en dat wil ik niet, dus zet me gevangen, anders ben ik niet veilig.’

Maandag werd hij naar een geheim adres gebracht en hij heeft twee maanden ondergedoken gezeten, tot hij in februari 1979 weer bij het Concertgebouworkest zou dirigeren. Toen stond onder meer Beethovens Eroica op het programma. ‘Dat was een indrukwekkende uitvoering,’ aldus Nolda, ‘daar zat alles in, wat hij doorgemaakt had. Hij is er bijna door gebroken, maar uiteindelijk heeft hij het toch gered.’

GP – ‘Hein van Royen belde mij omdat hij alle aanvoerders in het orkest wilde raadplegen: Kondrasjin is uit Rusland weg, hij is in Amsterdam, maar ik kan je niet zeggen waar. Ben je het ermee eens, dat hij een aanstelling krijgt bij ons orkest? Dat is gebeurd, met algemene instemming. Hoe reageerde hij op deze aanstelling?’

NB – ‘Hij kende zijn eigen waarde niet, wist niet hoe hij in de markt lag. Van zijn honorarium moest hij het grootste deel afdragen, zelf brengen, naar de ambassade van de Sovjet-Unie in Den Haag. Hij was heel blij met zijn aanstelling. Hij had een enorme liefde voor het Concertgebouworkest. Twee jaar en drie maanden heeft hij genoten van zijn vrijheid. Hij trad bij allerlei orkesten op, in Japan, Amerika, Israël en Europa. Onder andere bij de Wiener Philharmoniker, waar hij nog nooit eerder was geweest. Dat orkest had net grote problemen gehad met een dirigent, en Terry Harrison, zijn impresario, had hem gewaarschuwd. Hij zou de Jupiter-symfonie dirigeren en de Negende Dvoøák. Kirill liet zich niet bang maken en zei: ik heb mijn opvattingen en zo ga ik het doen. Op de eerste repetitie was het meteen: stoppen, en hij legde uit hoe hij het wilde. Dvoøák idem dito. Na drie dagen kwam de concertmeester hem bedanken: Maestro, dank u wel, sinds Von Karajan heeft nog niemand zo met ons gerepeteerd.’

Het einde

GP – ‘Ik heb thuis de opname van zijn laatste concert (ook de Eerste symfonie van Mahler) met het orkest van de NDR in de VARA-matinee in Amsterdam. Fantastisch.’

NB – ‘Schitterend hè, en zonder repetitie, dat wil zeggen, drie kwartier. Hij was op 6 maart jarig en vrienden en bekenden kwamen zijn verjaardag vieren Toen ze weggingen ’s nachts heeft hij iedereen bedankt voor wat ze voor hem gedaan hadden. Toen heeft niemand dat begrepen. Pas toen hij overleden was, zeiden ze: Hij heeft afscheid genomen. De volgende maandag zou hij bij het Concertgebouworkest beginnen met The bells van Rachmaninoff.

De volgende ochtend om twaalf uur kwamen er telefoontjes van de NDR en de VARA-matinee dat Tennstedt niet meegekomen was, of hij dat concert wilde overnemen. Hij zei: Nee, want ik heb geen repetitie. Toen belde Kees Hillen mij op: Kan jij hem niet overreden, want we zitten zo met de handen in het haar. Dus ik ben naar Kirill toegegaan en ik zei: Zou je het toch niet een keertje kunnen doen. Hij zei: Ik heb dit nooit eerder gedaan zonder repetitie, maar het is misschien wel een leuke uitdaging. Zeg maar, dat ik het doe. Ik heb hem naar de repetitie gebracht, een microrepetitie van drie kwartier voor die hele Eerste Mahler. Om twee uur begon het concert: na de pauze dirigeerde Kirill de Eerste Mahler. De uitvoering was iets heel bijzonders. De zaal ontplofte zo’n beetje, hij liep de podiumtrap op en af of het niets was. Kees Hillen kwam na afloop met een grote fles cognac.

Toen heeft hij alle portiers en alle zaalwachters bij zich geroepen en gezegd: Ik heb een fles cognac gekregen. Ik wil op jullie klinken en jullie bedanken voor wat jullie voor me gedaan hebben. Daarna had hij om half zes nog een solistenrepetitie voor The bells. Ik zat naast hem, want hij zei: Nolda, je moet voor mij vertalen, ik kan alleen nog maar Russisch praten, ik ben zo moe. Toen we thuiskwamen, wilde hij niet eten. Het koude zweet brak hem uit, maar hij wilde geen dokter. Ik de keuken heeft hij nog tegen Rosa Fajn (een Russische violiste en vriendin van Kondrasjin), die bij ons te logeren was, gezegd: Rosa, als er iets met mij gebeurt: ik wil begraven worden en niet gecremeerd. Om half elf werd er gebeld door David Geringas. Kirill wankelde naar de telefoon en heeft nog met hem gepraat. Toen zei hij: Als er nou weer gebeld wordt, moet je zeggen dat ik er niet meer ben. Want ik ben te moe. Ik hoorde hem stommelen in de badkamer. Eindelijk vond hij goed, dat ik het ziekenhuis belde. Op dat moment begon de hartaanval. Na twintig minuten kwam de Eerste hulp, toen was hij al tien minuten dood.’

Deel 2

In de Sovjet-Unie was het voornamelijk Kirill Kondrasjin, die de muziek van Mahler heeft verbreid. Hij nam alle symfonieën op, behalve de Achtste, en had de gouden Mahler-medaille gekregen van de Internationale Gustav Mahler Gesellschaft, waar hij erg trots op was. ‘In Amsterdam had hij ook graag Mahler willen dirigeren, maar dat werd hem slechts één keer gegund,’ aldus Adriaan van Woudenberg. In 1979 dirigeerde hij de Zevende in Amsterdam, Den Haag, Eindhoven en Lille.

GP – ‘De Zevende Mahler ging bij ons niet vanzelf. Ons orkest heeft heel duidelijke ideeën over hoe je Mahler moet spelen. Dat kwam niet altijd overeen met zijn opvatting, maar op een gegeven ogenblik ging hij naar het orkest luisteren. Dat was een van de keren dat ik merkte, dat hij luisterde naar wat onze traditie was.’ ‘Wij zijn samen in de Chasa Mengelberg geweest,’ zegt Nolda Broekstra, ‘hij was zeer geïnteresseerd in de opnamen van Mengelberg en heeft ze allemaal beluisterd. Het was een ouderwetse stijl, maar hij vond het heel erg goed. Hij had ook waardering voor andere interpretaties dan de zijne.’

Brian PollardBrian Pollard – ‘Ik zat een keer naast hem in de zaal in het voormalige Leningrad, toen Haitink Don Juan dirigeerde, een stuk dat zo begint, dat de dirigent hals over kop in het diepe moet springen. Dat deed Haitink, Kondrasjin keek om en zei: Dat zou ik ook willen; wat Haitink kan, daar heb ik de grootste moeite mee. Hij had er grote bewondering voor. Ik heb hem nooit slecht over andere dirigenten horen spreken. Hij was heel integer.’

 

Sjostakovitsj

Edith NeumanEdith Neuman vertelt over de vriendschappelijke betrekkingen tussen Sjostakovitsj en Kondrasjin. ‘Sjostakovitsj placht Kondrasjin regelmatig op te bellen. Kirill Petrovitsj, kom alsjeblieft luisteren, want ik heb weer iets nieuws gecomponeerd. Dan kwamen ze met een groepje mensen, onder wie Kondrasjin, bij elkaar. Hij speelde zelf, voor zover hij dat nog kon, want op het laatst had hij een spierziekte, zodat hij zijn handen niet meer kon bewegen. Kirill moet veel muziek van hem gehoord hebben.’

Omstreeks 1960 had Pjotr Kondrasjin een gesprek met zijn vader over Sjostakovitsj: ‘Mijn vader zei, dat Prokofjev hem tot nog toe de beste van onze Sovjet-componisten leek, de grootheid van Sjostakovitsj besefte hij pas later, maar hij voelde zijn muziek heel erg goed aan. Ieder thema van Sjostakovitsj kun je duidelijk in kleuren tekenen. Sjostakovitsj kon van een olieverfschilderij een transparante potloodtekening maken, en andersom.’

Kirills programma's

NB – ‘Sjostakovitsj viel in het Westen nog niet in de smaak, zodat men zijn programmavoorstellen vaak niet accepteerde. Dat is jammer want zijn opnamen met het Moskous Filharmonisch Orkest zijn nog altijd een voorbeeld voor anderen.’

Het orkestmateriaal van de gigantische Mahleriaanse Vierde symfonie van Sjostakovitsj was tijdens de belegering van Leningrad verdwenen en werd jaren later door Kondrasjin, die nog een pianouittreksel en een paar partijen bezat, gereconstrueerd. Sjostakovitsj hoefde daar haast niets aan te corrigeren. De oorspronkelijke eerste uitvoering van de Vierde symfonie, gecomponeerd in 1936, was na een paar repetities afgeblazen. Pas in 1961 heeft Kondrasjin haar met het Moskous Filharmonisch Orkest ten doop gehouden. Sjostakovitsj was hem uiterst dankbaar.

In 1962 leidde Kondrasjin de wereldpremière van de Dertiende symfonie. De tekst van Jevgeny Evtoesjenko over de joodse tragedie bij Kiev lag politiek heel gevoelig. Kondrasjin kreeg daarbij een staaltje onversneden Sovjet-intimidatie te verduren. ‘Bij de generale repetitie,’ aldus Nolda Broekstra, ‘had de solist afgezegd; daar waren ze al bang voor geweest, dus ze hadden iemand in reserve. Tijdens die repetitie kwam er telefoon voor Kirill uit het Kremlin: Kirill Petrovitsj, hoe gaat het met u? Prima. Voelt u zich goed? Uitstekend, heel goed. Bent u niet ziek vanavond? Nee, ik ben niet ziek vanavond. O, zou het misschien kunnen dat u zich toch niet zo lekker voelt? Kirill zei: Ik voel me uitstekend, ik verheug me op vanavond. Maar hij stond te beven op zijn benen.’
‘Er is een opname van de eerste uitvoering,’ vertelt Pjotr Kondrasjin, ‘en bijna twintig jaar later heeft hij de symfonie met het orkest van de Bayerische Rundfunk en John Shirley-Quirk weer uitgevoerd, met een Duits koor, een Duits orkest en een Engelse solist. De interpretatie was precies dezelfde. Mijn vader was zo overtuigd van de juistheid van zijn opvatting, dat hij willekeurig welke musici kon dwingen het werk zo uit te voeren als hij wou. Ik hoorde precies hetzelfde, de Engelsman zong precies zo als de Rus: hij kon mensen alles laten doen, waar ze ook vandaan kwamen. Sjostakovitsj en mijn vader hebben nooit conflicten gehad. Mijn vader vertelde hoe Sjostakovitsj bij zijn repetities zat, met zijn onafscheidelijke pakje sigaretten. Met een pen noteerde hij opmerkingen op het pakje. In de pauze ging hij dan naar mijn vader toe en zei: het is moeilijk werken met u. Als ik eens een keer een opmerking opschrijf, tikt u al af en legt het de musici haarfijn uit.’

Jan KouwenhovenJan Kouwenhoven – Sjostakovitsj IX met Brians prachtige fagotsolo kan ik me goed herinneren.’

BP – ‘Ik heb die solo voor hem in de dirigentenkamer gespeeld. Ergens staat een kwintool. Ik speelde dat heel vrij, maakte een accelerando, wachtte, vooral de laatste noot is heel belangrijk. Ik weet zeker, dat hij dit soort spelen nooit gehoord had, maar hij respecteerde het en zei: Okay, en verder en verder. Het was een groot plezier. Op de laatste repetitie keek hij naar mij en hij zei: Very well. Dat was het grootste compliment dat hij zich kon voorstellen. Dan ligt hij eigenlijk plat, maar dat gaf hij niet toe. Het langzame deel van de Negende Sjostakovitsj was het verhaal van Rusland op dat moment. Die enorme akkoorden met trombone en tuba, enorme granieten blokken, is de Staat. En dan komt er één stem, de stem van de mens. Een pleidooi: Wij hebben een hart, wij hebben gevoelens, waar zijn wij? En dan komt de Staat weer. Het kleine mannetje bezwijkt. Helemaal bij de volgende solo. Maar aan het eind denkt hij: Ik leef nog en hij begint te dansen en te juichen. Zo heeft Kondrasjin het verteld.’

Kondrashin aan het werk

EN – ‘Iedereen kent het verhaal waarom hij dirigent is geworden. Hij speelde van jongsaf aan piano en moest altijd met zijn ouders mee naar de repetities. Zij zaten allebei in het orkest van het Bolsjoi Theater, maar speelden ook in het communistische orkest-zonder-dirigent Persimfans. Hij verveelde zich dood. Een van de mensen zei: Neem jij maar eens een partituur, dan heb je wat te doen. Toen zag hij hoe interessant het was. Door de partituur mee te lezen begon hij in te zien dat een dirigent misschien toch een nuttig element zou kunnen zijn.’

BP – ‘Ik herinner me de eerste repetitie; dat was op een maandagochtend nadat wij zondagmiddag een concert met Bruno Maderna gegeven hadden. We hadden de hele week gerepeteerd op heel moderne muziek, het orkest was gaar en blij dat iedereen het overleefd had. Toen kwam Kondrasjin en begon met Brahms’ Tragische Ouvertüre: van rupsen werden we plotseling vlinders. Het was heerlijk om muziek te maken, die wij konden begrijpen, voelen, met een echte professional, die elke noot kende. Hij kwam op een psychologisch belangrijk moment.’

EN – ‘Ik was zo ontzettend onder de indruk, dat ik een van de volgende repetities op een bandje heb opgenomen. Toen sprak hij nog Duits, Buchstabe Bè, zei hij dan. Het viel mij op dat hij zo beeldend dirigeerde, zoals die Suite van Tsjaikovsky bijvoorbeeld.’

Wim van KeulenWim van Keulen – ‘In de pauze van de eerste repetitie had hij alleen nog maar de eerste bladzij gedaan. Het viel mij op dat hij nooit eerst een stuk doorspeelde, maar meteen met repeteren begon.’

JK – ‘Die Derde suite van Tsjaikovsky herinner ik me heel goed. Dat razendsnelle Scherzo, een heel snel deel, dat hij vrij onduidelijk sloeg, moet ik eerlijk zeggen. Het leek wel of hij dat expres deed, zo onder de lessenaar slaan, heel snel, dan moest iedereen ontzettend opletten om het bij te houden.’

Saskia van Bergen-Boon – ‘Dat Scherzo wilde eerst niet lukken. Hij legde uit dat het over muizen ging, waar Tsjaikovsky zo bang voor was. Hij had een soort slag… ik zie zo het gebaar voor. Een beetje alsof hij salueerde met zijn stokje. Dat salueren had een bepaalde schichtigheid in zich, waardoor je als je keek, te vroeg speelde, en als je luisterde, dan deed je het met elkaar.’

EN – ‘Soms moesten we even stoppen, dan zei hij: “Zonder dirigent”.’

SvB – ‘In Amsterdam ging het niet goed. Toen hij ons het zelf liet doen, ging het beter.’

Jan Kouwenhoven bespeurt een zekere verwantschap met Mariss Jansons: ‘Als ik Jansons zie dirigeren, lijkt het wel of er een Russische school is.’

NB – ‘Toen ik Mariss Jansons in Luzern vertelde, dat ik de weduwe van Kondrasjin was, viel hij me om de hals. Hij zei: “Wat ben ik blij dat ik u zie. Zonder Kirill Petrovitsj was ik niet geworden wat ik nu ben. Dankzij hem heb ik het Von Karajan Concours gewonnen, want hij heeft dagelijks met mij gewerkt en mij daarvoor gecoacht. Ik ben hem eeuwig dankbaar.” ’ Kondrasjin had veel leerlingen. In Rusland heeft hij een boek over dirigeren gepubliceerd, dat door Nolda Broekstra is vertaald en onder de titel Over dirigeren in 1983 in Nederland werd uitgebracht.

Een dwingende dirigent

SvB – ‘De ernst van zo’n repetitie! Ik weet wel dat ik altijd na zo’n week volslagen kapot was van het overdoen, en het slijpen en schaven dat hij deed. Hij liet vaak de eerste lessenaars niet spelen. Zij speelden automatisch sterk, vond hij, om de hele groep mee te trekken.’

WvK – ‘Op de repetities is hij altijd blijven roepen: first desks, first desks, omdat ze te sterk waren.’

Werner HerbersWerner Herbers – ‘Voor soloblazers was het vaak heel vervelend. Ik herinner me een solootje van mij in de Aufforderung zum Tanz. Ik wou iets sierlijks doen. Nee. Ik mocht niets! De motoriek van Kondrasjin was lastig. Bovendien wilde hij zijn slag vaak tussendoor corrigeren, waardoor het krampachtig werd. Dat vond ik er moeilijk aan.’

BP – ‘Hij was heel exact. Het moest stemmen, gelijk zijn en in balans. Een paar keer heb ik geprobeerd iets heel mooi te spelen, hij luisterde, keek en ging door, maar moest toch even “too much personality” zeggen.’

SvB – ‘Daphnis hebben we ook met hem gedaan. Het moest zachter en zachter totdat bij iedereen de stok zowat uit de handen viel…’

WH – ‘Maar hij had er vaak fantastische resultaten mee, vooral in de Franse muziek en ook in de Russische.’

SvB – ‘Hij wist van tevoren precies wat hij wilde en hij werkte hard om dat voor elkaar te krijgen. Dat ging ten koste van de gemoedsrust van een aantal mensen, maar natuurlijk was het alleen voor het resultaat. We hebben die Derde suite van Tsjaikovsky ook nog een keer in Edinburgh gespeeld, toen ging het geweldig.’

WvK – ‘Ik herinner me een Pathétique in de RAI, die een week later in Haarlem werd herhaald. Hij wilde geen repetities meer, hoewel wij intussen een heleboel andere stukken hadden gespeeld. Het orkest ging zitten in Haarlem en gaf een van de meest fantastische uitvoeringen, die ik ooit heb meegemaakt.’

SvB - ‘Als je ziet uit welke school hij kwam en zijn doelgerichtheid kent, was het gewoon een keiharde werker, die voor elkaar wilde krijgen wat hij voor ogen had.’

JK – ‘Het was een dirigent, die een eigen interpretatie afdwong op een manier die het orkest niet gewend was. Net zo lang tot het in orde was. Dat kwam je bijna nooit tegen en zeker niet met gastdirigenten, want de meeste gastdirigenten willen aardig en vriendelijk zijn om teruggevraagd te worden. Hij helemaal niet. Opvallend was dat hij heel vaak in de kantine was in de pauze, tussen de orkestleden, hoewel het een afstandelijke man leek.’

Tenslotte

Adriaan van Woudenberg‘Aan begeleidingen,’ zo besluit Adriaan van Woudenberg deze impressie, ‘besteedde hij dezelfde, zo niet meer, aandacht als aan de symfonische werken. Theo Bruins, die in 1980 tijdens de Proms in Engeland het Derde pianoconcert van Bartók had gespeeld, hoor ik nog zeggen: Fantastisch, ik ben nog nooit zo begeleid als nu door Kondrasjin.
Hij leefde voor de muziek, maar daarnaast hield hij van kunst en literatuur, waarbij hij een voorkeur had voor Poesjkin.’
‘Waar hij ook van hield,’ vult Nolda Broekstra aan, ‘was het Russische kaartspel preferans. Hij was een beroemd kaarter. Hij verloor altijd.’

Wodka mag natuurlijk niet ontbreken in het beeld van een Russische persoonlijkheid. Brian Pollard herinnert zich wodka à la Kondrasjin: ‘Je doet sinaasappelsap in een glas. Daarboven houd je een beetje diagonaal een mes en laat daarlangs heel voorzichtig de wodka op het sap lopen. De eerste slok die je neemt, is onvermengde wodka, pas daarna komt het sinaasappelsap.’

Truus de Leur

Kcourant - 2006

Auteur
Truus de Leur