Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Jan Spronk in gesprek met oud-solofagottist Brian Pollard

Meer in het leven investeren dan eruit halen

Brian Pollard (fagot)Praten met Brian Pollard, onze voormalige solofagottist en nog steeds zeer betrokken bij het Orkest, is bepaald geen straf. De liefde voor het KCO, hoe het is om het grootste deel van je leven in het buitenland te wonen, de oogproblemen, maar vooral de behoefte jonge mensen te coachen, zijn enige aspecten die uitgebreid in dit interview aan de orde komen.

Brian Pollard – ‘Met pensioen gaan betekende aanvankelijk voor mij ‘vallen in een enorm zwart gat’. Ik zag er verschrikkelijk tegenop. Ik was er helemaal niet aan toe permanent met vakantie te gaan, terwijl andere mensen verlangend uitkijken naar de dag waarop zij hun beroep vaarwel kunnen zeggen. Het is interessant daarover na te denken.’

Een zingende hobo, fluit en althobo

‘Speciaal voor het Concertgebouworkest ben ik naar Nederland gekomen. Ik hoorde het orkest voor het eerst toen ik vijftien jaar oud was. Later, toen ik als militair van het Britse bezettingsleger – ik was lid van het muziekkorps van de RAF (Royal Air Force) – gelegerd was in een voormalig opleidingscentrum van Messerschmitt-piloten voor de Luftwaffe, heb ik geluisterd naar grammofoonplaten van het Concertgebouworkest. Dit opleidingscentrum bezat een uitgebreide muziekafdeling.
Op een avond zetten wij een plaat op van het Concertgebouworkest: De dans van de zeven sluiers uit de opera Salome van Richard Strauss, en we waren verrukt van met name het zangrijke spel van fluit, hobo en althobo. We analyseerden hun spel en ‘timeden’ onder andere de frequenties van hun vibrato. Vanaf dat moment ben ik dol geweest op dit orkest en toen ik in 1953 de kans kreeg lid te worden van dit ensemble, heb ik geen moment geaarzeld en ben naar Nederland gekomen.’

Het Concertgebouworkest je nieuwe familie

 ‘Als je emigreert, laat je je hele familie achter, je volk, je stam, je vrienden. Alle wortels met je jeugd en je opvoeding worden min of meer verbroken. Op dat moment ben je alleen. Iedereen die je ontmoet in je nieuwe land, en dat waren meestal de collega’s van het orkest en hun gezinnen, wordt je nieuwe familie. De contacten met mijn familie in Engeland zijn verwaterd: sommigen zijn gestorven, en de overigen zie ik zelden. Dat betekent dat het gevoel bij een orkestgemeenschap te behoren, sterker is voor iemand die uit het buitenland komt. Na drieënveertig jaar in het orkest was mijn angst bij mijn pensionering in een zwart gat te vallen, niets meer te hebben.’

Audities afnemen

‘Er bleek geen zwart gat te zijn. De eerste jaren na mijn pensionering heb ik volgestopt met werken, onder andere in het Residentie Orkest, dat toen op zoek was naar een eerste fagot. Verder werd ik vaak gevraagd om te coachen en in jury’s te zitten. Zo was ik regelmatig in Wenen en Salzburg voor het Mahler Jugend Orchester waar ik de blazers coachte. Als lid van de auditiecommissie reisde ik door heel Europa; we bezochten tweeëntwintig conservatoria in acht weken tijd! Zeer vermoeiend maar heel boeiend, omdat je de beste spelers van Europa te horen krijgt. Ondertussen speelde ik nog kamermuziek en soloconcerten, onder andere het Concert voor klarinet en fagot van Franz Danzi, met mijn dochter Winnie.’

Ooginfarct

‘Drie jaar na mijn pensionering kreeg ik een ooginfarct. Dat betekende dat één oog helemaal blind werd en dat ik met het andere slechts tien procent kon zien. Ik kon niet meer lezen, ook geen noten. Ik kon niet meer spelen. Er waren twee reacties: ‘Wat heerlijk, ik ben van de spanning van het optreden af’, maar ook: ‘Wat nu?’. Ik ben me toen gaan toeleggen op coachen en lesgeven, hoewel het niet kunnen lezen van de partituur wel problemen oplevert.’

Vrijheid van spelen en perfectie

‘Het niveau van de musici gaat elk jaar omhoog. De jonge musici van nu hebben een fantastische techniek. Je kunt het vergelijken met de Olympische Spelen: elke vier jaar wordt er harder gerend, gezwommen, en hoger gesprongen. Maar techniek alleen is niet genoeg. Pas als je die ten dienste gaat stellen van de muziek, krijg je toverkracht, liefde, de kwintessens waar het om gaat. De noten zelf zijn dood, maar wat is er tussen de noten? Uiteindelijk kom je dan te spreken over het fantastische woord ‘tekst’. Daar gaat muziek over.

Een musicus is als een acteur die iets moet overbrengen. Ik doe mijn best elke leerling tekst en inhoud bij te brengen. Muziekstudenten worden getraind om instrumentalist te worden. Het instrument is dan de baas. Maar als je je partij eerst probeert te zingen – er is geen instrument dichterbij dan je eigen stem – , en pas daarna je instrument bespeelt, dan klinkt die partij anders. Alleen studeren op je instrument mondt uit in louter techniek. Noten op een rij. Maar als je het zingt, komen er plotseling ademplekken te voorschijn, crescendo’s, diminuendo’s, elasticiteit, timing, enzovoort. Daar gaat het over, en het heeft zin. Dat probeer ik iedereen te vertellen.

Een computer kan alles oplossen. In een mum van tijd doet die computer miljoenen handelingen. Een mens kan in een stoel zitten en plotseling krijgt hij een brainwave, een briljante ingeving. Net als Einstein. Dit is wat er ook tijdens het muziekmaken kan gebeuren. Een computer kan dit niet. Wij zijn geen computers of machines, gelukkig niet. Deze focus op perfect spelen is gedeeltelijk begonnen met de opnametechniek. Men moest foutloos spelen. Maar als je van de perfectie uitgaat, neem je van je gevoelens een stap terug. Belangrijker is wat je wilt zeggen. Wat is je boodschap?’

Spijker en schroef

‘Als ik terugkijk op mijn werkzame leven, zijn er bepaalde dingen die diepe indruk op mij hebben gemaakt. Op mijn zestiende zat ik naast een fagottist die een noot inblies zonder zijn tong te gebruiken. Die noot kwam helemaal niet alsof je een spijker inslaat: paf, of ta, maar meer als een schroef die je indraait: wha…, vergelijkbaar met de opstreek van een strijker. Dit heeft mij altijd geboeid. Mijn hele leven ben ik daarmee bezig geweest: wanneer gebruik je je tong, en wanneer niet. Vibrato is een ander punt waar je eindeloos mee bezig kunt zijn. Veel blazers zijn zich niet bewust hoe ze vibreren. Het is een samenwerking tussen het middenrif en de keel. Dit zijn aspecten van het musiceren waar ik constant mee bezig ben. Ik heb het gevoel dat ik nog elke dag aan het leren ben.

Sir George Bernard Shaw, beroemde filosoof, schrijver en criticus, kreeg ooit de vraag voorgelegd: ‘Wat is uw definitie van een gentleman’? Hij zei: ‘Dat is iemand die meer in dit leven investeert dan hij eruit haalt’. Ik heb in mijn jeugd zoveel fantastische hulp gratis gekregen van muzikanten, dat geef ik nu graag door.’

Jan Spronk

Kcourant - februari 2008

Auteur
Jan Spronk
Details
Brian Pollard