Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Ontmoeting met hoornist Jan Bos

Altijd als ik hier ben, is daar de één.

Van 1937 tot 1974 heeft Jan Bos deel uitgemaakt van het orkest, aanvankelijk maast de eerste hoornist Richard Sell, totdat deze in 1945 van het toneel verdween. Op talrijke opnamen van het Concertgebouworkest is Jan Bos nog steeds te horen in soli die staan als een huis.

Eerste hoorn in Bruckner

‘Bruckner, tja – ik herinner me dat we in Van Beinums tijd, in de oorlogsjaren, in één seizoen alle Bruckners hebben gedaan. In sommige Bruckner-symfonieën heb je toch die Wagner-Tuben? Sell wilde die partijen altijd spelen, want dan heb je minder te doen, dus heb ik in de Bruckners altijd eerste hoorn gespeeld.’

Dan grijpt hij terug naar zijn eerste jaren bij het Concertgebouworkest, toen het nog het orkest van Willem Mengelberg was: ‘Ik denk dat het 1937 was, toen ik in het orkest kwam. Mengelberg heb ik ook nog meegemaakt. Ik maakte voor het eerst met hem kennis in het Utrechts Stedelijk Orkest – want vóór het Concertgebouworkest zat ik in het USO – toen Mengelberg twee benefietconcerten kwam dirigeren, want ons orkest had weer eens geldgebrek. Wat we speelden weet ik niet meer, maar ik geloof dat Les préludes van Liszt ook op het programma stond, want dat was een paradepaardje van hem. Ik was verrast die eerste keer. Hij moest vier of vijf repetities hebben, die allemaal uitliepen. Later, in Amsterdam, mocht je weglopen als hij te lang doorging en je zag dan ook af en toe mensen opstaan en verdwijnen. Toen ik ook een lespraktijk kreeg bij het conservatorium in de Bachstraat, liep ik op een gegeven ogenblik ook gewoon weg. In het USO heb ik overigens nog met Evert Cornelis gespeeld. Dat was een prettige man, heel rustig. Iemand die boven de zaken stond. Hij dirigeerde met gemak.’

'Ja, als de heren zo tegen mij doen...

 

‘Mengelberg had een aantal goede principes, maar hij was eenzijdig. Eén van die principes was dat hij zei [Jan Bos gaat staan en maakt duidelijke, precieze gebaren in de lucht]: ‘Kijk, hier is de één, niet hier [wijst eronder], en ook niet hier [wijst erboven], maar hier. Altijd als ik hier ben, is daar de één.’ En daar hield hij zich ook aan. Hij was goed in romantische programma’s, Tsjaikovsky deed hij goed. Maar Beethoven werd onder zijn handen te romantisch, met glissandi en rubato’s waar ze niet waren aangegeven. Dat was ook toen al ongepast. Strauss, dat was zijn muziek, en Mahler, hoewel hij met Mahler ook op een vrijmoedige manier omging. Wat mij altijd stoorde, was dat hij overdreef. Mengelberg zei dat dat nodig was voor het publiek, maar ik zat ook wel eens in de zaal en dan vond ik dat toch niet zo nodig. Ik herinner me heel goed dat ik in mijn eerste jaar Mozart moest spelen, zo’n gevaarlijk hoog hoornpartijtje, waar je gemakkelijk overheen patst. Sell, de eerste hoornist – ik was tweede eerste hoornist – zei tegen mij: “Jan, maak je maar niet ongerust, want dat gaat toch niet door.” En hij had gelijk, in het programma was het dan “afgevoerd wegens gebrek aan repetitietijd” of zoiets, maar eigenlijk lag het Mengelberg niet zo. Mengelberg was in zeker opzicht ook een treiteraar. Op 1 oktober kwam hij altijd pas opdraven.

Willem MengelbergWij waren in september al begonnen en werden voorbereid door Van Beinum. Die wist dat het toch nooit goed was en zei tegen ons: “Jongens, we spelen het even een keer door, dan weten jullie het wel.” Mengelberg kwam dus weer eens voor het orkest en liet ons spelen, een hele bladzij, toen tikte hij kwaad af en zei: “Ik dacht dat dit gerepeteerd was.” Hij begon bij de eerste violen, en werkte zo het hele orkest af, tot hij op een gegeven ogenblik bij de hoorngroep kwam. In die tijd had hij de gewoonte om alles “vies” of “vuil” te noemen. Sell stond op, in de houding met de hoorn onder de arm – een echte Duitser, hè – en zei: “Meneer Mengelberg, u mag voor dit orkest de woorden ‘vies’ en ‘vuil’ niet gebruiken.” “Ach, meneer Sell, u bent Duitser, u weet niet wat ‘vies’ en ‘vuil’ in het Nederlands betekent.” “Meneer Mengelberg, ik woon al vijfentwintig jaar in Nederland en weet precies wat die woorden betekenen.”
“Ja, als de heren zo tegen me doen, kan ik maar beter weggaan.” Waarop Mengelberg zijn jasje aantrok en wegliep. Henri Stips, eerste bassist en voorzitter van de Vereniging, moest achter hem aan en bidden en smeken of hij wilde terugkomen. Daarna ging de repetitie gewoon door, alsof er niets gebeurd was.’

Mengelbergsopje

‘Met Mengelberg heb ik nooit Bruckner gedaan: hij zou het een keer doen, maar dat ging toen óók niet door. Bruckner kan je niet romantiseren. Mengelberg hield er ook van om te kijken of je stressbestendig was. Mij had hij daar niet mee, ik deed altijd maar zo “doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” en ik heb me er nooit iets van aan getrokken. Maar Burdack, een Duitse hoornist, de tweede eerste en een prima hoornist, voor wie ik in de plaats ben gekomen, kon niet tegen dat geouwehoer van Mengelberg, en is daarom weggegaan.
Mengelberg overgoot alles met een Mengelberg-sopje. Solisten wilde hij ook altijd beïnvloeden. Als die anders wilden spelen, voelde hij dat niet aan. En opera… ik herinner me nog heel goed dat we Midzomernachtdroom deden in de Schouwburg met het hele toneelstuk erbij en Mengelberg in de bak. Hij kreeg de Stichwoorden van de spelers, maar hij begreep er geen bal van. Van Beinum stond in de bak, trok hem aan zijn jasje en zei: “Nou!” De mensen in de zaal moeten dat haast gehoord hebben.

Van Beinum was een muzikale man die ook heel goed Franse muziek kon dirigeren. Hij had veel meer begrip voor verschillende stijlen dan Mengelberg. Bruckner voelde hij heel goed aan. Jochum bijvoorbeeld overdreef hier en daar een tikkie. Maar Van Beinum had iets merkwaardigs: “Als ik het Gebouw zie, valt er iets boven op me,” zei hij me eens. Op onze eerste tournee naar Amerika was hij daarvan bevrijd en dirigeerde hij veel vrijmoediger. Als hij altijd zo was geweest als daar, dan was er nooit een vuiltje aan de lucht geweest.’

'Hallo, Otto!'

‘Klemperer vond ik een goede dirigent. Repeteerde weinig, zodat je ’s avonds som sniet goed wist wat hij deed. Hij stond altijd gewoon op de grond, niet op een verhoging, zoals Mengelberg. Het was een lange kerel, met lange armen, en als hij soms een hobo of een klarinet iets duidelijk wilde maken, liep hij een paar passen het orkest in. Als je niet deed wat hij zei, kon hij woedend worden, maar het was ook zo weer over. Het is jammer dat hij niet zo’n serieus leven leidde. Otto Klemperer Hij kwam vaak in louche gelegenheden en op een gegeven ogenblik is hij in Amerika in elkaar geslagen. Hij kreeg een klap op zijn kop, waar hij altijd last van heeft gehouden. In Amsterdam was hij ook goed bekend op Wallen. Als hij in de stad die vrouwen weer tegenkwam, riepen ze: “Hallo, Otto!” Maar hij was een grote meester, hij heeft zich door niemand laten beïnvloeden –iemand die helemaal zijn eigen weg ging, ondanks zijn handicap. Ik heb altijd weinig moeite met hem gehad.

Een favoriete componist heb ik niet. Ik vind veel muziek mooi en eigenlijk heb ik nooit moeite gehad met iets. Alleen, in de eerste jaren bij het Concertgebouworkest moesten we voor de Wagner-Vereeniging Siegfried spelen. Sell zei tegen mij: “Ga jij maar in de bak zitten, dan speel ik de Siegfried-hoorn op de Bühne.” Dan had hij minder te doen, begrijp je wel. Ik heb veertien dagen mijn best zitten doen, toen zei ik tegen hem: “Hoor eens, ik blaas me mottig en krijg pijn in mijn lippen. Speel jij die derde acte maar.” Dat heeft hij toen gedaan.

Je moet echt groeien en een andere embouchure ontwikkelen om al die hoge partijen te kunnen spelen. Toen ik de groep moest leiden, heb ik op een gegeven ogenblik moeten zeggen: “Als ik meer geef, moeten jullie niet meegaan, want dan hoor je nog niks van de eerste partij.” Daarna ging het goed.’

Hoornisten voor het Israel Philharmonic Orchestra

‘Op advies van verschillende bekende dirigenten ben ik hoornisten gaan bijscholen. Ik heb er een stuk of vijf gehad uit Israël. De musici uit het Israel Philharmonic Orchestra kwamen overal vandaan, en achter elkaar heb ik er een aantal een jaar lang gehad om bij te scholen. In Israël hebben ze toen voor mij bomen geplant.
’ Dit verhaal komt boven naar aanleiding van een zilveren reliëfje van Jeruzalem, gemonteerd in een geslepen glazen paneeltje en mooi ingelijst, dat zijn vrouw laat zien. Dat is hem toegestuurd door zijn Israëlische leerlingen. Hij doet wat gegeneerd, maar is er – zijns ondanks – erg trots op. Dan komt de onderscheiding ter sprake, die hij nooit heeft gekregen. Zijn vrouw zegt dat hij ook daar achteraf trots op zou zijn geweest. Met nadruk zegt Jan Bos: ‘Nee, ik heb het zelf niet gewild. Wiesje Wijngaarden moest een onderscheiding hebben toen ze wegging na meer dan veertig jaar. Ik heb meegemaakt hoeveel moeite dat heeft gekost, want ze wilden haar niet meer geven dan een medaille. Na veel gesoebat werd het toch iets in de orde van ik weet niet wat. Een andere reden is, dat ik een machinist heb gekend bij het gemaal van Lemmer, die vier keer iemand heeft gered uit die levensgevaarlijke kolk bij het gemaal. Hij heeft niet meer gekregen dan de bronzen medaille. Iemand die vier keer zijn leven heeft gewaagd! Hoe kunnen ze dat nou doen?’

‘Jan is altijd veel te bescheiden geweest, en voor zijn kinderen en kleinkinderen was het toch belangrijk geweest,’ zegt zijn vrouw, en dan: ‘In de pauze van een concert sprak Willem Andriessen mij een keer aan. Jan had net die hoornsolo in de Derde symfonie van Brahms gespeeld. “Wat heeft uw man dat prachtig gespeeld. Maar hij heeft toch één gebrek.” Verbazing. “Hij zou wat meer aan de weg moeten timmeren.”’

Goedmoedig, maar gemeend protest van Jan Bos – doe maar gewoon… Maar zijn vrouw vervolgt: ‘Als Van Beinum zó deed naar de hoorngroep,’ en ze gebaart alsof ze iemand wil laten opstaan, ‘dan keerde Jan zich altijd net om, om het water uit zijn hoorn te laten lopen.
’ ‘Mijn vrouw heeft heel goede oren,’ vertelt Jan, overstappend op een ander onderwerp, ‘weet je nog wel die avond? Ze hadden een concert georganiseerd en de musici wisten niet wat ze ’s avonds te spelen kregen, zodat ze thuis niets konden vertellen. Er waren acht of negen stukken, en zij heeft ze op één na allemaal geraden.’ ‘Ik heb toen de eerste prijs gewonnen,’ zegt ze trots.

Van huis uit violist

‘Ik ben als violist begonnen. Mijn vader had een broer die violist was en in het orkest in Bonn speelde, omdat er vóór de Tweede Wereldoorlog in Nederland te weinig emplooi was voor musici. Maar toen het in Duitsland steeds meer een rotzooi werd, kwam hij terug naar Nederland en ging in Groningen wonen. Hij heeft me mijn eerste vioollessen gegeven, of ik wou of niet, moet ik haast zeggen. Na mijn MULO-tijd kwamen er allemaal kantoorbaantjes bij die kantoren die steeds groter werden. Dat wilde ik absoluut niet, toen mocht ik van mijn vader muziek studeren en ik nam viool als hoofdinstrument. In die tijd kon je gratis een bijinstrument studeren en mijn vader die vroeger hoorn had gespeeld, had zijn oude instrument nog op zolder liggen. Hij zei: “Ga dan maar hoorn spelen, die hoeven we tenminste niet te kopen.” Die hoorn lag in een transportkist op zolder. Het was een enkele F-hoorn met een aantal beugels. Vroeger had je nog niet die mooie voorgevormde etuis van nu, en mijn moeder maakte er een zak omheen. Jaren later kreeg ik eens een student die met mijn oude hoorn aankwam, met dat zakje van mijn moeder eromheen. “Hoe kom je dááraan?” vroeg ik. Hij had hem geleend en wist verder ook niet waar hij vandaan kwam. Nou, dan gaat er wat door je heen.

Een neef van mijn vader speelde in die tijd in het AVRO-orkest en zei tegen mij: “Je moet Bes-hoorn gaan spelen, zo’n dubbele hoorn heeft veel meer mogelijkheden.” Voorzichtig begon ik daarop te spelen, want je moet je embouchure bijstellen om hoogte en kracht te krijgen. Maar in Amsterdam zei Sell tegen me: “je moet niet op die dubbele hoorn blijven spelen, dan blaas je je rot.” Hij speelde zelf op een Knopff-hoorn en zou er voor mij ook een bestellen, een Bes-hoorn. In de oorlog heb ik hem verkocht om aan eten te komen. Na de oorlog kreeg ik bericht van de instrumentenhandel Hampe dat hij vijf Knopff-hoorns had. Ik ben bij hem langs gegaan om de beste uit te zoeken. Later heb ik ook nog een instrument laten maken bij Pfeiffer, dat was een Duitse instrumentbouwer in Rijswijk, die oorspronkelijk uit Neukirchen kwam [nog steeds een belangrijk centrum van hoornbouwers – tdl]. De hele hoorngroep speelde in die tijd op Knopffs.’

‘Ruzie’ bij het Concertgebouw Blaaskwintet’

Het Concertgebouw Blaaskwintet, dat bestond uit Hubert Barwahser (fluit), Haakon Stotijn (hobo), Bram de Wilde (klarinet), Thom de Klerk (fagot) en Jan Bos (hoorn), allen eerste blazers van het Concertgebouworkest, had een grote reputatie in de jaren zestig, toen kort na elkaar Haakon Stotijn en Thom de Klerk overleden.
‘Dat kwintet hebben we altijd heel serieus genomen. Het begon met Rudolf Gall, De Klerk, Barwahser, Stotijn en Bos. In de oorlog werden we door de Duitsers een keer naar Berlijn gestuurd. Ik zei tegen Barwahser: “Daar krijg je me niet voor, hoor.” Barwahser dacht er net zo over, hij was het ook niet eens met dat regime. Maar we konden ons niet permitteren om niet te gaan, want dan had iedereen moeten onderduiken. Toen zijn we gestopt met het kwintet. Wij hadden iedere maand een radio-uitzending en Barwahser gaf daar als reden op dat er ruzie was geweest en dat het kwintet uit elkaar was gevallen. Na de oorlog zijn we natuurlijk vrolijk weer begonnen, toen met Bram de Wilde, want Gall kwam niet terug. [Rudolf Gall was als Duitser gedwongen om dienst te nemen gedurende de oorlogsjaren en is gesneuveld – tdl].

In het orkest had je veel aan dat kwintetspelen, je was zo aan elkaar gewend – je wist precies wat de anderen speelden. Voor het kwintet zijn ook verschillende composities geschreven, door onder anderen Badings, en misschien wel Van Delden, maar dat weet ik niet zeker meer. We speelden eigenlijk alles en bij iedere uitzending moesten we een nieuw Nederlands werk uitvoeren. Daarnaast heb ik bij de radio nog veel andere dingen gedaan. Soms had ik wel drie schnabbels op een dag, want ik speelde ook mee in een salonorkest van de AZVRO, in een harmonieorkest van de NCRV en meer van die dingen.’

Auteur
Truus de Leur
Details
Jan Bos