Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest

Over de mensen

Gesprek met Jo Jacobs

Moderne muziek van toen was moderner dan moderne muziek van nu

Jo Jacobs (tweede viool)Jo Jacobs vertelt en zijn vrouw Carla onderbouwt zijn verhaal met namen en jaartallen. Hij is nu 25 jaar met pensioen. Hun herinneringen gaan terug tot een ver verleden. Hij werd in 1923 in Limburg geboren. Na vijf jaar gymnasium concentreerde hij zich op vioolspelen, waarvan een oom hem de eerste beginselen had bijgebracht, aan het Muzieklyceum in Maastricht, waar Marcel Thijssen, concertmeester van het Maastrichts Stedelijk Orkest, zijn leraar was.

 ‘Na een paar maanden vond hij dat ik best mee kon spelen in het orkest. Tegen het eind van oorlog werd een aantal jongens opgeroepen om in een Duits orkest te spelen. Ik ben ondergedoken, bij dezelfde oom die mij had leren vioolspelen, maar ik bleef studeren. De buren dachten dat mijn oom zijn viool weer ter hand had genomen. Na de oorlog reisde ik eens per maand naar Amsterdam voor een les van Oskar Back. Op een gegeven moment heb ik proef gespeeld voor het Concertgebouworkest en kreeg een plaats bij de tweede violen. Eenmaal in het orkest speelde ik nog een paar maal proef: in 1955 kwam ik bij de eerste violen, in 1961 kreeg ik de plaats van Piet Heuwekemeijer (plaatsvervangend aanvoerder tweede violen, red.) die directeur werd van het orkest, en toen in 1971 de aanvoerdersplaats van de tweede violen vrij kwam, schoof ik op naar de eerste stoel.’

Eduard van Beinum

‘Meteen de eerste dag dat ik bij het orkest kwam, misdroeg ik mij behoorlijk,’ herinnert Jo Jacobs zich. ‘Mijn verwachtingen waren hoog gespannen. Ik kwam op 13 december 1948 meespelen, midden in het seizoen. Een Badings-symfonie, die het orkest al gespeeld had, werd door Van Beinum even doorgenomen. Ik bij de eerste koffiepauze: “Goh, wat valt me dát tegen.” Daar ben ik wel van teruggekomen, moet ik zeggen. Net als de meeste orkestleden wist ik niet dat hij zo ziek was. Als hij zich goed voelde, dan dirigeerde hij erg mooi, maar er waren perioden dat hij dat niet op kon brengen. Het orkest was in die tijd verdeeld: er waren nog steeds Mengelbergvereerders, die altijd kritiek hadden op Van Beinum, en daarnaast had je “de stakers” en “de zittenblijvers”.’

De stakers waren de orkestleden die het podium af waren gelopen bij de beruchte rellen in de Grote Zaal tijdens het Van Kempen-concert in 1951, een ander deel bleef zitten. Deze gebeurtenis vormde de aanleiding tot de splitsing van Orkest en Gebouw. De stakers werden ontslagen door de NV, die hun werkgever was. Jo behoorde bij de stakers, en stond dus op straat. Juist op dat moment had hij zijn vrouw ten huwelijk gevraagd, zijn schoonvader had dat een amusante omstandigheid gevonden, maar wel zijn toestemming gegeven. Onder grote politieke druk werd het collectieve ontslag overigens na een paar weken ongedaan gemaakt. Tot de hoogtepunten uit Van Beinums periode behoorde voor Jo Jacobs ontegenzeggelijk de Amerikaanse tournee. ‘Zoals Van Beinum die Eerste Brahms dirigeerde… dat vergeet je niet.’ Wat hem achteraf heeft gefrappeerd, is dat Van Beinum jaren is blijven zoeken naar stabiele tempi voor Bruckner. Ten slotte zat hij op het podium toen Van Beinum overleed. ‘Het begin van het tweede deel van Brahms’ Eerste symfonie werd nog even aangespeeld, toen hij aankondigde: “We houden nu pauze, en na de pauze komt meneer Brussen (de toenmalige assistent-dirigent, red.).” De orkestleden waren al op weg naar de koffiekamer, toen hij in elkaar zakte. Vreselijk.’

Bernard Haitink

‘Van Beinum had zijn voorkeur uitgesproken voor Haitink. Dat hij moest worden opgevolgd door een Nederlandse dirigent, stond buiten kijf. Er waren twee mogelijkheden: Van Otterloo en Haitink. Van Otterloo had het toppunt van zijn kunnen bereikt en Haitink was een jong talent met grote beloften voor de toekomst. Zelf heeft hij wel eens gezegd, dat hij nog weinig wist toen hij begon, maar hij was een echte dirigent. Ik heb altijd met plezier onder hem gespeeld. Ik luister nog wel eens naar grammofoonopnamen uit de begintijd, ze zijn uitstekend, ook de live opnamen.’ Hij herinnert zich een uitzonderlijk voorval: ‘In 1982 gingen we met Haitink naar Berlijn, we speelden Mahler III. We zouden ’s middags repeteren, maar de Berliner en Von Karajan repeteerden maar door. Wij hadden al lang op het podium moeten zitten, toen de rommel van de Berliner er nog af moest en onze spullen erop. Toen we eindelijk zaten, was Von Karajan op de eerste rij in het publiek gaan zitten. Haitink begroette hem hoffelijk; vervolgens kwam hij achter Haitink aan het podium oplopen en begon een heel verhaal te houden, wie hem nog had meegemaakt in 1941 enzovoorts. Praktisch alle repetitietijd heeft hij vol gekletst. Eindelijk ging hij weg en konden we nog een paar maten spelen om aan de akoestiek te wennen. Ik zei tegen Haitink: “Wat een rotzak, hij heeft alle repetitietijd verkletst,” maar Haitink maakte zich daar niet druk om. We hadden Mahler in Amsterdam gespeeld en het werd een prachtig concert.’ Carla herinnert hem aan een ander voorval met Von Karajan. ‘In 1957 was dat…’ ‘O ja, met Van Beinum. Hij dirigeerde Daphnis in de Musikvereinssaal in Wenen. In het midden van het zijbalkon op de eerste rij zat Von Karajan. Met zijn arm over de rand heen heeft hij het hele concert zo’n beetje meegedirigeerd. De volgende dag waren de grappen niet van de lucht: “Ja, geen wonder dat het goed is als Von Karajan dirigeert.”’
Je zou haast gaan denken dat Von Karajan het niet leuk heeft gevonden dat hij na 1941 nooit meer teruggevraagd is bij het Concertgebouworkest. Jo Jacobs kon zich niet herinneren dat in de Artistieke Commissie, waarvan hij ook geruime tijd deel uitmaakte, ooit de naam Von Karajan is gevallen, zoals wel gebeurde met die van onder anderen Colin Davis en John Barbirolli.

...en de anderen

In een gesprek met een orkestmusicus is er aan anekdotes geen gebrek. Jo Jacobs heeft onder een keur van grote dirigenten gespeeld: ‘George Szell kon behoorlijk uit zijn slof schieten, maar ik heb hem anders meegemaakt. In Edinburgh ging de Vijfde Beethoven. Bij een inzet van de celli in het derde deel had hij zich verslagen. Het orkest ving het op en waarschijnlijk heeft het publiek er niets van gemerkt, maar de volgende dag heeft hij tegenover het orkest zijn excuus gemaakt. Ook had hij ons eens uitgenodigd voor een concert in Cleveland met zijn eigen orkest. Ze speelden Mozarts Ouverture Die Zauberflöte. Hij had ze zo zenuwachtig gemaakt, dat het ene ongelukje na het andere gebeurde. Bij de receptie na afloop zat hij erbij als een geslagen hond. Wij gingen hem goedendag zeggen, we moesten hem nog een beetje troosten ook.’

Hij herinnert zich dat de Artistieke Commissie, waarvan hij ook geruime deel uitmaakte, op verzoek van Flothuis in Den Haag ging luisteren naar een Matthäus-Passion onder Harnoncourts leiding. ‘Hij was toen nog niet zo’n goede dirigent, hij had een heel ander uitgangspunt: de historische muziekpraktijk, maar hij was meeslepend.’
Pierre Boulez kwam vooral naar Amsterdam voor de eigentijdse muziek: ‘Hij had een enorm vakmanschap, heel scherpe oren en een stabiel tempo. Ik vond het leuk om onder hem te spelen. In het orkest bestond tegenstand tegen moderne muziek, dus tegen Boulez. Daarbij moet ik wel aantekenen dat de moderne muziek van tóen veel moderner was dan de moderne muziek van nu, zoals die van Keuris.’
Een andere dirigent van moderne muziek was Hans Rosbaud. ‘Iedereen was op zijn hand,’ zegt Jacobs, ‘hij was fragiel en geestig, maar niet altijd even aardig. Zo vroeg hij de triangelspeler eens ‘Darf ich fragen, wo haben Sie Triangel studiert?’ Aan het eind van zijn periode nam hij afscheid van het orkest met ‘Danke für die Zusammenarbeit, insofern ich die empfangen habe.’

Secretaris van de Vereniging en andere administratieve taken

In 1956 werd hij lid van het Verenigingsbestuur, nog onder voorzitterschap van Dick Mesman. ‘Toen ik toetrad tot het bestuur kwamen Dick Mesman en Hans Maassen (respectievelijk. voorzitter en secretaris van het Verenigingsbestuur, red.) mij instrueren – zo ging dat toen. Hun bestuur was heel actief geweest en had de nieuwe orkeststichting op moeten zetten. Dat was een grote prestatie. Wij kwamen eens in de week bij elkaar; als er iets aan de hand was, veel vaker.’ Van1957-1960 en van 1964-1970 was hij eerste secretaris (respectievelijk met Marten Haitjema en Karl Schouten als voorzitter) en qualitate qua ook lid van het Stichtingsbestuur. Vooral de laatste periode, toen Piet Heuwekemeijer directeur was van het orkest, was buitengewoon arbeidsintensief. Heuwekemeijer bestookte het Verenigingsbestuur met brieven en sommeerde hen geregeld voor besprekingen. Alles moest onmiddellijk beantwoord en vastgelegd worden. Een ambtelijk secretaris was er niet, dus Jo schreef stapels brieven en notuleerde ieder woord dat met de directeur werd gewisseld. ‘Op een of andere manier was Heuwekemeijer steeds aan het bakkeleien met het Verenigingsbestuur over allerhande dingen. Elke dag kreeg je brieven, soms wel meerdere. Stuk voor stuk moest je die beantwoorden en vastleggen wat je besproken had, want hij pikte je gewoon als er iets niet klopte. De samenwerking werd zo slecht, dat het orkest wilde dat Heuwekemeijer weg ging. Hij had allerlei zaken doorgedreven, zelfs tegen de zin van het bestuur. Toen ook Haitink zich achter het orkest schaarde, was het bekeken.’
Ook maakte Jo Jacobs sinds 1961 een aantal jaren deel uit van het Amsterdams Kamer Orkest, het huidige Concertgebouw Kamerorkest, waar hij zich eveneens met de organisatie belastte. Onder meer heeft hij tijdig een voor het AKO uiterst belangrijk grammofooncontract met de firma Rood verlengd. Van 1957 tot 1996 zat hij bovendien in het bestuur van de in 1841 door J.B. van Bree gestichte Maatschappij Caecilia, die behoeftige weduwen en wezen van orkestleden financieel ondersteunde. In 1972 werd de Mij. Caecilia een stichting, die in 1999 werd overgedragen aan de Stichting Donateurs van het Concertgebouworkest.

 Verschilt het Concertgebouworkest van nu van dat van toen?

Gedurende de feestweek van het orkest in oktober maakten radio en tv overuren in huize Jacobs. Zij beluisterden alles. ‘Ik hoorde in een interview,’ zegt Jo, ‘dat in de jaren vijftig iedereen op de repetities een deftig pak aanhad. Dat was gewoon een praktische maatregel. Je moest een jasje aan hebben, want je had een potlood nodig, een gum en je agenda en nog zo wat. Waar laat je dat als je geen jasje aan hebt? De meesten liepen in een combinatie. Er waren er wel een paar die zich als heer kleedden, maar die zijn er vast nu ook nog wel. Onder elkaar was de omgang absoluut niet formeel. Verschillen? Afgezien van het verschil in opleiding tussen toen en nu, zou een vereniging voor de gepensioneerden, die leuke dingen organiseert, vroeger niet zo gauw op poten zijn gezet, denk ik. Vroeger had je de Sociëteit, met een toneelclub, die jaarlijks in de Kleine Zaal optrad, er waren dia-avonden, er was een schaakclub, een klaverjasclub en een eigen bibliotheek. Maar de Sociëteit was er alleen voor de spelende orkestleden.’

Truus de Leur

Kcourant - december 2008

Auteur
Truus de Leur
Details
Jo Jacobs